Peru

Peru dus. Waar in
Ecuador de strook land tussen de Andes en de westkust volop groen is, bestaat de
strook in het noorden van Peru vooral uit woestijn. Af en toe zie je
nederzettingen waarvan de huizen gemaakt zijn van hetzelfde materiaal als waar
de woestijn uit bestaan (grijsbruin zand). Na een aantal uur door de woestijn
gereden te hebben kwamen we aan in Chiclayo waar we twee nachten gebleven zijn.
In de buurt van Chiclayo ligt Tucume waar we onze eerste Peruaanse ruïne hebben
bezocht. Vanaf een kleine berg zie je ze in de omtrek liggen. Ze lijken nog het
meest op zandhopen, maar van dichtbij zie je dat ze door de mens gemaakt zijn.
In Lambayeque (vlakbij Chiclayo) bezochten we het Brüning museum waar de
voorwerpen tentoon worden gesteld die gevonden zijn bij de Sipan opgraving.
Beide ´sites´ zijn van culturen van voor 1500. Er zijn al duidelijk de voor Peru
zo kenmerkende stijlen te zien in de bouwwerken (piramide achtige structuren,
repeterende figuren in de kunst en sierraden).
Een dag later
reisden we door naar Trujillo. Omdat dit een vrij saaie stad is namen we een
hostel in het kustplaatsje Huanchaco (bekend om zijn rieten bootjes die als
surfplanken door de branding gaan) in een hostel met een mooi dakterras
(http://www.casasuiza.com) waar we onze laatste avond zelfs een BBQ hebben
gehouden. De volgende dag hebben we vier sites rond Trujillo bezocht, met hulp
van een overland-bus Nederlanders die al een half jaar door Zuid-Amerika aan het
crossen waren. De bekendste daarvan zijn de Chan Chan ruïnes. Dit zijn de
indrukwekkende overblijfselen van een stad gebouwd uit blokken leem. Chan Chan
was de hoofdstad van het rijk van de Chimu dat zo´n duizend kilometer kust
bewoonde, voordat deze verslagen werden door de Inca´s. Aardig is dat de
Chimu-cultuur geen schrift heeft ontwikkeld, dus dat alles wat men nu hierover
weet herleid is uit opgravingen. Men is er bijna zeker van de Inca´s in de stad
Casco (vlakbij de beroemde Machu Picchu) de bouwmethode van de Chimu heeft
overgenomen. Een deel van de overblijfselen van Chan Chan is gereconstrueerd tot
hoe het ooit oorspronkelijk is geweest.
Ook rond Trujillo zijn de ruines van Huaca del Sol en Huaca de la Luna van de Moche cultuur te vinden. Dit zijn twee tempels die gedurende generaties laag op laag hoger werden, waarbij onderliggende lagen gewoon verdwenen onder een nieuwe laag. Veel tot de verbeelding sprekende (gekleurde) muurreliëfs waren er te zien.
Na onze
nachtelijke rit naar Huaraz kwamen we om 6 uur in de ochtend aan. We werden
opgewacht door een vriendelijk vrouwtje dat ons een naar later bleek prima
hostel aanbevool. Daar aangekomen sliepen we meteen verder omdat je in een
nachtbus doorgaans niet veel slaapt.
Toen we weer
wakker werden bleek Huaraz een stadje te zijn dat uitzicht biedt op de
Cordilleira Blanca en daar tegenover op de Cordilleira Negra. We waren in Huaraz
net op het einde van het regenseizoen van Peru, dus de bergen waaren niet altijd
zichtbaar, maar als we ze dan konden zien was het dan ook een weergaloos en
onwerkelijk gezicht.
Omdat het weer
nog niet helemaal gestabiliseerd was in een continue zonbombardement, besloten
we af te zien van een driedaagse trekking door het natuurpark. Wel hebben we een
dagtrekking gemaakt, die ons na vier uur bergop lopen bracht bij een lagune net
onder de sneeuwgrens (met een wel heel gevaarlijk laatste stukje). Drie uur
later waren we weer terug om te ontdekken dat pizza´s erg duur zijn in Huaraz
(duurder dan in Nederland). Verder bood het hostel ons voor het eerst in twee
maanden gelenheid om ons eigen avondeten klaar te maken, dat was een verademing.
En natuurlijk moeten de bierijsjes niet onvermeld blijven.
Na een aantal
dagen vervolgden we onze reis naar Lima, de hoofdstad van Peru. We hadden al van
veel mensen gehoord dat je het beste zo snel mogelijk weer verder kunt reizen
omdat de stad in geen enkel opzicht de moeite waard zou zijn. Onze ervaring was
gelukkig anders. In Lima zaten we net aan het eind van de zonne-periode. Lima is
gedurende een groot deel van het jaar in een dichte smog-wolk gehuld. Pas bij
onze laatste dag in Lima merkten we dat de smog steeds dichter werd.
Lima is een
westerse stad. De winkelstraten, de musea, alles doet een beetje aan een grote
Europese stad denken. We zijn een middagje naar Miraflores geweest (een
buitenwijk van Lima aan de kust) en ons viel op dat het daar een stuk kouder was
en dat daar al wel een smogwolk hing, zodat je de kuststrook maar tot zo´n
honderd meter kon zien. Het water is te vervuild om in te zwemmen.
Omdat het
tegelijk met ons bezoek pasen was in Lima, werden we doodgegooid met processies.
Als je bij het wandelen door de stad een polietieagent tegenkwam die achteloos
het toeterende verkeer een andere kant op dirigeerde wist je weer dat je binnen
enkele minuten een gigantisch beeld gedragen door ongeveer dertig man tegenkwam,
dat zich in een ontzettend langzaam tempo naar de dichtbijzijnde kerk begaf.
Toch wel leuk om mee te maken. In Lima is ook een kathedraal waar men in de
catacomben overblijfselen heeft gevonden van naar schatting 70 duizend mensen,
en deze ook tentoonstellen.
Na Lima trokken
we door in onze highlight-tour naar Pisco, genoemd naar de nationale drank van
Peru. In Pisco is werkelijk niets te beleven, maar het is wel het startpunt van
een tour naar de Islas Balletas aan de kust. Deze eilanden zijn, zeg maar, de
pogingen van Peru om ook een Galapagos te hebben. Op de paar rotsen schijnt de
grootste concentratie van zeevogels ter wereld te bestaan, zo groot dat de oogst
van vogelpoep een serieuze bezigheid is daar, en ook een belangrijk
exportproduct van Peru. Naast de vogels zijn er ook veel zeehonden, en dan
vooral die exemplaren die nog niet weten dat het 2000 kilometer verder veel
beter toeven is op de Galapogos. Indrukwekkend is ook nog een gigantisch
kandelaar-achtig symbool wat daar aan de kusten eeuwen geleden is gemaakt.
Na Pisco trokken
we door naar Ica. Vijf kilometer ten oosten van Ica ligt een oase in de woestijn
waar we twee dagen verbleven. Deze onwerkelijke lokatie wordt omgeven door
gigantische zandduinen waar je goed met een snowboard van af kunt glijden zoals
we mochten ervaren. In ons Hostel aldaar maakten we kennis met een aardige
Peruaan die ons wel een tour door Ica wilden geven voor een schappelijk bedrag.
Ica is het
Peruaanse wijncentrum, dus bezochten we twee verschillende wijnboerderijen.
Aardig is om te zien dat de productie van wijn en pisco behoorlijk overlapt. Bij
het proeven van de wijn werd ons duidelijk dat de Peruanen nog veel te leren
hebben. Neem een zoete rode wijn, verdubbel de concentratie, en doe er een
flinke scheut limonadesiroop bij. Je krijgt nu de smaak van droge (jawel, droge)
Peruaanse wijn. De zoete wijn hebben we maar niet geproefd. Aardig was ook dat
Jeroen met open ogen trapte in het verhaaltje dat onze wijngids vertelde over
het schoonmaken van de wijnvaten, en door de nauwe opening in een wijnvat naar
binnen kroop, daarbij een T-shirt onuitwasbare wijnvlekken bezorgend.
Toen het onze
gids duidelijk werd dat we de volgende dag wilden doorreizen naar Nasca, bood
hij spontaan (weer voor een schappelijk bedrag) aan om een tweedaagse tour te
organiseren inclusief rondvlucht. De volgende dag vertrokken we dus per auto
naar Nasca (zo´n 150 kilometer) om onderweg te stoppen bij alle dingen waar een
normale toerist niet stopt: een natuurlijke rotsformatie met het uiterlijk van
een naar de zon gericht gezicht, een zonnewijzer en de uitzichttoren op de
vlakte van de beroemde Nasca lijnen.
Twintig kilometer
van Nasca is een gigantische vlakte waarin geometrische figuren, samen met op
dieren en mensen gelijkende figuren zijn aangebracht. Er bestaan ongeveer
twintig verschillende hypotheses over het hoe en waarom van deze figuren,
inclusief de bewering van Erik von Däniken die zegt de dit niet door
mensenhanden gemaakt is. De consensus is dat deze figuren rond tweeduizend jaar
geleden in de vlakte zijn aangebracht door de Nasca-beschaving. Maria Reich
heeft een belangrijk deel van haar leven besteed aan onderzoek naar de figuren
en is postuum een lokale beroemdheid geworden, haar oude huis is inmiddels een
museum wat we bezocht hebben.
In Nasca
aangekomen vervolgde we onze tour naar pre-inca begraafplaatsen, een aquaduct
dat na 1700 jaar nog steeds in gebruik is, en nog wat ruines. Moe van dit alles
gingen we vroeg naar bed om de volgende dag fit te zijn voor de rondvlucht boven
de lijnen.
Zonder ontbijt, en met een reispilletje achter de kiezen stapten we in ons vliegtuigje om de lijnen van bovenaf te zien. We waren bijzonder onder de indruk. Kilometerslange kaarsrechte lijnen, stylistische afbeeldingen van vogels en andere dieren, bijzonder fascinerend!
Onze prive-tour sloot af met een bezoek aan een keramiekmaker die volgens eeuwenoude tradities mooi keramiek maakt, en een plaats waar goud gewonnen wordt uit steen met zeer veel moeite. Moe van al het touren deden we een middagje niets, klaar voor onze nachtbus die ons naar Arequipa zou brengen.
Nu zijn we
inmiddels al niet zo gecharmeerd van nachtbussen, maar op een aantal trajecten
in Peru rijdt er niets ander dus dan moet je wel. Omdat de hoeveelheid
diefstallen in nachtbussen bijzonder groot is, begin je met je bagage met alles
wat je hebt vast te binden aan jezelf, zodat je veilig kunt slapen. In deze
bewuste bus hadden we de voorste plaatsen aan de rechterkant. Zonder beenruimte
dus, en zonder frisse lucht uit een raam dat je open kunt doen. Nu zou dat in
Nederland al niet zo leuk zijn, als je je dan ook nog eens weet hoe de
gemiddelde Peruaan denkt over persoonlijke hygiëne is het beeld compleet. De
volgende ochtend werden we ook nog eens gewekt door een man die een lezing hield
over alle medicijnen die hij verkocht (een veel voorkomend verschijnsel in
Zuid-Amerika), en dat deed met een microfoon (dus negeren was onmogelijk).
Gedurende de
vermoeiende busreis van twaalf uur kwamen we aan in de stad om een uur of 9.00.
Arequipa is een middelgrote stad (1 miljoen inwoners), in tegenstelling tot Lima
(ruim 10 miljoen). De bewoners zien zichzelf graag als de republiek Arequipa en
hebben ook eigen geld en een eigen paspoort om dit te onderschrijven. Omdat er
in de streek veel aardbevingen zijn, zijn de gebouwen meestal maar twee
verdiepingen hoog. We bezochten er onder andere het Santa Catalina Convent, een
groot klooster midden in de stad dat tot 1970 gesloten is geweest voor publiek.
In dat jaar hebben de overgebleven bewoners zicht teruggetrokken in een
afgesloten hoek van het complex om de rest open te stellen voor publiek. Het is
fascinerend om door alle straatjes binnen de kloosterstad te lopen en je te
realiseren dat hier honderden jaren lang mensen in afzondering hebben geleefd.
Na een paar dagen
relaxen in de mooie stad, besloten we de Colca canyon te gaan bezoeken met een
tweedaagse tour. Deze canyon behoort tot de diepsten in de wereld, hij is twee
keer zo diep als de Grand Canyon in Amerika. Helaas bleek de hoeveelheid
wandelen in de tour beperkt te zijn tot een tochtje van 30 minuten. Ergens
onderweg stopten we om in een volledig op de tourindustrie gericht restaurantje
in de midle of nowhere te genieten van een Alpaca (familie van de Lama)
biefstuk. Die avond hadden we nog niets van de Canyon gezien, maar al wel veel
Lama’s en andere dieren van de Andes hoogvlaktes, waar boven de vier kilometer
nog maar weinig begroeiing is. Onze gids legde ons uit hoe je nu precies
Coca-bladeren moet gebruiken samen met een katalisator (samengeperst as van een
cactus) om een verdovend effect te bereiken waardoor je beter tegen de hoogte
kan, en minder last van ontberingen hebt. Behalve dat het ontzettend vies smaakt
is het effect vergelijkbaar met een lokale verdoving bij de tandarts. We hebben
nog niet helemaal door hoe je hier profijt van hebt.
Die avond aten en sliepen we in een dorpje aan de rand van de Canyon. Groot was onze vreugde toen bleek dat er ook nog speciaal voor ons toeristen een authentiek Peruaans bandje was, zodat we voor de vijfhonderdste keer konden genieten van 'El Condor Pasa' op panfluit. Opdat we niets hoefden te missen van dit alles was de band ook nog eens flink uitversterkt. Jeroen heeft hier tevens zijn danskunsten vertoond.
De volgende
ochtend stonden we om vijf uur op om na een ijskoud ontbijt (in Peru kennen ze
het begrip 'verwarming' niet, iets wat je als toerist wel graag zou willen
hebben op grote hoogten) te vertrekken naar het uitzichtpunt 'Cruz del Condor'
waar beloofd was dat we echte condors langs zouden zien vliegen. Nadat we een
half uur in de ijskoude ochtend ruim een kilometer naar beneden hadden gekeken
naar de bodem van de Canyon hadden we nog steeds geen condor gezien. Net op het
moment dat we besloten om weer naar de warme bus te vluchten werden de condors
losgelaten. Achteloos vlogen ze door de turbelente windstromen in de canyon, af
en toe zo dichtbij dat wij als echte toeristen wel moesten juichen bij dit
vertoon van vliegkunsten. Even plotseling als ze gekomen waren verdwenen ze
weer, waarschijnlijk naar het volgende toeristische uitkijkpunt.
De volgende dag
vetrokken we met de dagbus naar Cusco (officieel Qosqo), de oude hoofdstad van
het Inca-rijk. Elke reisgids raadt mensen af om snachts te reizen met de bus. In
Cusco hoorden we een verhaal van een duits meisje dat in de nachtbus tussen
Nazca en Cusco beroofd was door een stel terroristen met machinegeweren en
maskers de de hele bus leegroofden. Dat gebeurt dus ook in Peru.
Cusco is een stad om verliefd op te worden. In het centrum hebben de veel gebouwen nog oude Inca muren als basis (naadloos tegen elkaar passende stenen zonder cement of mortel). Het is er waanzinnig toeristisch en er zijn haast meer buitenlanders dan Peruanen, maar het is schitterend gelegen, en er zijn heel veel Inca-bouwwerken in de omgeving te zien (met als hoogtepunt natuurlijk de Machu Picchu). Na een paar dagen besloten we een tour door de Sacred Valley te doen (Peru bestaat eigenlijk alleen maar uit tours).
Het eerste
marktje wat we aandeden was kleiner dan de totale ruimte die alle tourbussen
innamen, en bovendien hadden we maar een kwartier de tijd. De volgende markt was
eigenlijk erg leuk, maar de dertig minuten die we kregen waren net genoeg om van
het begin naar het eind te lopen en weer terug. De rest van de tour bestond uit
een aantal imposante Inca ruïnes, en mooie bergweggetjes met af een toe een
kruis langs de weg op plaatsen waar iemand niet op tijd doorhad dat de weg
ophield en het ravijn begon. Bij de ruïnes bij Pisac kwamen we nog een oude Inca
koning tegen met wie we natuurlijk tegen een geringe vergoeding op de foto
konden. De gids wist ons nog te vertellen dat van de 100.000 bewoners ruim 60
procent werkzaam is in de toeristenindustrie. Toen we uiteindelijk de laatste
ruïne bezocht hadden konden we op de terugweg naar Cusco weer genieten van een
muzikant de in de bus gewapend met een floortom en een panfluit (natuurlijk)
autenthieke diatonische Peruaanse muziek ten gehore bracht. Ondanks zijn
vlekkeloze techniek op de panfluit, hadden we het idee dat deze persoon om de
paar seconden de huidige maatsoort kwijt was.
Als je in Cusco
op het centrale Plaza de Armas twee minuten loopt rond etenstijd heb je al zo´n
tien visitekaartjes in je handen van de diverse restaurantjes. Ook wordt je
gedurende de gehele dag van alle kanten bestookt met de vraag of je nog
ansichtkaarten wil kopen. Inmiddels hebben we ontdekt dat als je vertelt dat je
uit Zimbabwe komt, er geen aanknopingspunten meer zijn tot een vervolggesprek en
de verkopers snel afdruipen.
Wij hebben vooral gegeten in ons stamcafe 'Los Perros' (de honden). Eigenlijk een ontzettend westerse gelegenheid met Nederlandse drankprijzen, maar met een onovertroffen menukaart, en goede (westerse) muziek terwijl je in de bank weggezakt zit. Geweldig om even bij te komen van de onafgebroken tour die we sinds Lima aan het meemaken zijn. Iedere zondag hebben ze live muziek, de eerste zondag waren we er de gehele avond, maar we hebben op Jeroen na, geen muzikant gezien. De barman maakte ook al duidelijk dat er met muzikanten niets is af te spreken.
Op 30 april, koninginnedag, liepen we in Cusco rond met oranje stikjes. Via via kwamen we te weten dat die avond in hotel Savoy een receptie zou zijn voor Nederlanders in Cusco, gegeven door de Nederlandse Consul (die later gewoon een Peruaanse vrouw bleek te zijn). Deze gelegenheid tot gratis drank konden wij ons niet laten ontgaan en zo vertrokken we na ons avondeten in Los Perros naar het hotel. Daar werden we bij binnenkomst getrakteerd op een door de KLM ingevlogen zoute haring, helaas had de luchtvaarmaatschappij verzuimd om ook oranjebitter in te vliegen dus moesten we het doen met een soort van oranje champange. Tot onze grote schrik werden we vervolgens aan tafel uitgenodigd voor een hapje eten en een glaasje wijn. Het werd de eerste Peruaanse wijn die weg te werken was. We weten nu inmiddels dat Peruaanse receptie in vrijwel niets lijken op nederlandse. Naast het avondeten gingen er in totaal (over twintig gasten) twee flessen wijn doorheen. Grappig was wel om te zien wat voor soort Nederlanders er nu wonen in Cuzco.
De volgende dag
boekten we onze tour voor de Inca Trail richting Machu Picchu beginnend op
woensdag 2 mei, en kochten we een aanzienlijk aantal meergranen repen en
snoepjes om de vierdaagse voettocht door te kunnen komen. En woensdagochtend om
6 uur begonnen we eindelijk aan de reeds lang geanticipeerde tocht.
De Inca trail is een voetpad dat dateert uit de tijd (hoe kan het ook anders) van de Inca's. Het is een pad dat vanaf de Sacred Valley de bergen in gaat en dan ter hoogte van de verborgen stad, Machu Picchu, weer de bergen uit komt. Toen Machu Picchu in 1911 door een Amerikaanse expeditie onder leiding van Hiram Bingham werd ontdekt heeft het nog een tijd geduurd voordat ook de Inca Trail ontdekt werd. De trail is voor een groot deel een muur die in de berghelling verankerd is. Je loopt eigenlijk over de top van de muur. De deklaag wordt regelmatig onderhouden en is dus niet origineel, maar het pad zelf wel.
Bij de
tourorganisatie kregen we een goed ontbijt, alhoewel je zo vroeg in de morgen
niet veel naar binnen krijgt was dat toch mooi meegenomen. Daarna werden we met
een naar later zou blijken erg leuke groep van totaal dertien personen in een
busje gestopt om samen met de gids Kenny (c-c-come on, Kenny!) naar het
startpunt te rijden. Onderweg werden er nog elf porters (dragers) opgepikt,
gekozen uit een gigantische groep gewillige porters.
Om een uur of tien konden we beginnen met lopen vanaf kilometerpaal 82 (2380 meter hoogte) in de heilige valei. Door een vooral bosrijke omgeving ging het de eerste tijd een beetje heuvelop. Vol goede moed, en met inmiddels de indruk dat er geen betere gids rondloopt in Peru dan de onze arriveerden we op onze eerste campsite bij een stel huisjes in de bossen, Wayllabamba. Na een koude nacht (onze lichtgewicht slaapzaken bleken zelfs met kleren aan niet geheel afdoende om de kou buiten te houden) stonden we om zes uur op om een uur later te beginnen aan de zwaarste dag van de trail.
Het bleef maar
omhoog gaan en onze rugzak werd steeds zwaarder. Bovendien begonnen de
ingewanden van Martine gevaarlijk tegen te werken. Ondertussen liepen we door
een onwerkelijk berglandschap, met op plaatsen waar het door een bergbeekje erg
vochtig was een heus stukje regenwoud. Aan het eind van de ochtend bereikten we
eindelijk de eerste pas (Dead womans pass, 4200 meter). De laatste kilometer
koste het meeste moeite. Alhoewel we al redelijk aan de hoogte gewend waren en
we ook regelmatig lopen is het op die hoogte toch moeilijk ademen en het effect
van de coca bladeren ook maar matig. Bovenop kwammen we onze gids Kenny weer
tegen, die genoot van een meegenomen biertje zoals hij later bij iedere pas
bleek te doen (ook als dat om negen uur 's ochtends was).
Daarna ging het nog anderhalf uur vrij stijl bergafwaarts, iets waar de ingewanden van Martine het helemaal niet mee eens waren. Doodmoe kwamen we uiteindelijk aan op het kampement op 3600 meter hoogte. Het bleek erg handig dat je voortdurend ingehaald wordt door porters die achteloos de trail oprennen, want onze tenten waren al opgezet, en onze lunch stond al klaar. Daarna waren we rijp voor de sloop en hebben zo ongeveer de rest van de dag geslapen, waarbij de ingewanden van Martine steeds nadrukkelijker duidelijk maakten dat dit toch niet was waarom ze mee naar Peru waren gekomen.
De tweede
kampsite was in de middle of knowhere, minstens een dag lopen van enige
beschaving en dus niet de plaats om ziek te worden. Omdat we niet wisten wat er
precies aan de hand was, en de kruidenthee "para el estomago" niet bleek aan te
slaan heeft Martine maar antibiotica geslikt. De volgende ochtend om zes uur
waren de ingewanden hun slechte bui vergeten en konden we met zijn allen
beginnen aan wat het mooiste deel van de trail zou worden. Ter aanmoediging
vertelde Kenny ons dat de beste tijd van de jaarlijkse wedstrijd van het lopen
van de Inca Trail onder de vier uur lag, en dat voor een afstand van ongeveer 46
kilometer, variërend in hoogte tussen de 2380 en de 4200 meter.
We passeerden de
tweede pas (3850 meter) na de ruïnes van Runkaracay. Een eind verder, bij de
ruines van Phuyopatamarca kregen we een fantatisch uitzicht over een deel van de
heilige valei. Ademloos stonden we te kijken naar al dat moois dat voor ons
uitgespreid lag. Na nog een tijd bergafwaarts gelopen te hebben kwamen we bij de
terassen van Winay-Wayna aan waar naast onze kampeerplaats een hostel en een bar
is. Gelukkig als we waren dat we het tot zoverre gehaald hadden, genoten we met
de hele groep van enige drankjes, in de wetenschap dat we de volgende ochtend om
vier uur op moesten staan.
De volgende
ochtend in de nachtelijke duister vertrokken we voor de laatste etappe. Om een
uur of zeven, bij de eerste zonnestralen bereikten we Intipunku, de zonnepoort.
In het dal in de verte lag hij dan, de verborgen stad, Machu Picchu in al zijn
mistieke pracht. Helaas zagen we er niets van omdat het hele dal bedekt was door
een dikke mistlaag. Toen na een half uur de mist nog geen aanstalten maakte om
weg te gaan, en toen we ons inmiddels behoorlijk begonnen te ergeren aan een
groep Israeliërs liepen we het laatste uurtje de steile trap af naar Machu
Picchu. Ongeveer halverwege konden we tussen de mist de eerste glimpen van de
verborgen stad zien, een indrukwekkend gezicht.
Nadat we onze
rugzakken bij het bagagedepot hadden achtergelaten, konden we de stad echt gaan
zien. Kenny gaf een geweldige rondleiding over het geheel, en liet ons verbaasd
zijn over bijvoorbeeld het feit dat als fundering onder de stad een identieke
stad is gebouwd. Ongelofelijk veel details hebben een verhaal achter zich.
Aardig was dat hij bij het uitleggen van alle astrologische aspecten van de
diverse ruines op essentiële momenten net niet de juiste engelse term gebruikte,
waardoor zijn verhaal af en toe bijzonder ingewikkeld te begrijpen was. De mist
was inmiddels opgetrokken en we konden dan ook de zonnepoort hoog in de bergen
zien liggen.
Na de rondleiding
zochten we het hoogste punt van de stad op en hebben we een tijd ademloos naar
de Machu Picchu gekeken. Daarna liepen we via het steile voetpad in 45 minuten
naar het dal (en dat terwijl we geen trap meer konden zien). Vanuit het dal kon
je inderdaad niets zien van Machu Picchu en werd ook duidelijk waarom het de
verborgen stad wordt genoemd. Na nog twintig minuten lopen kwamen we halverwege
de middag aan in het dorpje Aguas Callientes (warme wateren).
Na vlug een
hostel opgezocht te hebben (kamer op de tweede verdieping, we konden geen trap
meer zien) konden we eindelijk genieten van een warme douche en schone kleren.
Wij waren de enige die zouden overnachten en pas de volgende ochtend terug naar
Cusco zouden reizen met de trein. We namen afscheid van de groep en spraken af
om de volgende avond nog in ons stamcafe Los Perros in Cusco een drankje op de
goede afloop te drinken, zelfs Kenny zou van de partij zijn.
We hebben uiteindelijk genoten van de trail met als hoogtepunt Machu Picchu. We werden iedere ochten met thee gewekt, het eten was erg goed, en een betere gids konden we ons niet wensen. Voor ons waren de trail en de verborgen stad de voorlopige hoogtepunten van Peru.
Zondagochtend kwamen we aan in Cusco. Terug in ons oude hostel bleken onze spullen er nog te zijn. Die avond praatten we met een deel van de groep nog na, inclusief Kenny. Inmiddels is Los Perros van meer mensen het stamcafe geworden.
Maandag deden we een dagje niets, en besloten we de avond wederom in Los Perros, waar de bardame ons met de tanden stijf op elkaar bedankte voor het geduld (nadat we ruim een uur op een salade hadden gewacht) en ons een fles wijn aanbood (waar Jeroen twee minuten daarvoor om gevraagd had).
Dinsdagmiddag hadden we onze stadstour langs de diverse ruïnes die in de nabije omgeving van Cusco te vinden zijn (omdat we nog niet genoeg ruines hadden gezien). Aardig was daarbij de ruïne 'Saqsaywaman' (spreek uit: Sexy Woman). Een sterk staaltje Inca-bouwkunst in de vorm van een zig-zag muur waarvan de grootste steen zeven meter hoog is en 122 ton weegt en toch naadloos op de andere stenen aansluit. Bij Tombomachay was een nog werkende Inca-wasplaats te zien waarvan men nog steeds niet precies weet waar het water vandaan komt. Bovendien is het water verantwoordelijk voor de eeuwige jeugd indien je je gezicht er in wast. In zijn enthousiasme om hier als eerste bij te zijn wilde Jeroen over een in de weg liggende grote steen springen waarbij hij een klein uitstekend steentje over het hoofd zag, het gevolg waren een aantal lelijke schaafwonden. Donderdag vertrokken we met de bus voor een slechts 7 uur durende reis (dit vinden we tegenwoordig kort) naar onze laatste halte binnen Peru: Puno.
Puno is gelegen aan het Titicaca meer, het hoogst navigeerbare meer in de wereld (zo'n 4200 meter), en ligt gedeeltelijk in Peru en in Bolivia. Het is bovendien het laagste punt van de Altiplano. Een belangrijk kenmerk van dit gebied is dat het er overdag (als de zon schijnt) zomers warm is (T-shirt weer), maar 's avonds koelt het af tot rond het vriespunt, zelfs binnenshuis. Puno zelf is niet zo interessant, maar voor ons vormde het het startpunt van onze dagtour naar een aantal interessante eilanden op het meer.
Allereerst legden
we aan bij een van de Urus eilanden. Deze eilanden zijn door de mensen gemaakt
en bestaan uit een meters dikke rietlaag, het is een beetje zompig om op te
lopen. De bewoners leven van de visserij en vooral van het toerisme. We kregen
de gelegenheid om een rondje te varen in een drakenboot van riet, en vervolgens
voeren we door naar het eiland Taquile. Hier kregen we de gelegenheid om in een
uurtje naar onze lunch te lopen, wat souvenirs te kopen en in een paar uur weer
terug naar Puno te varen.
Die avond namen we afscheid van Simon (van de Incatrail) die de volgende daar terug naar Engeland zou vertrekken. Al snel bleek dat de over die ons bediende in het restaurant het delerium nabij was. We begonnen met ons dessert, kregen daarna het voorgerecht en tenslotte het hoofdgerecht. We moesten ook voortdurend opnieuw vragen naar bestelde zaken. Gelukkig konden alle gasten er de humor van inzien. Bij het afrekenen bleek hij zich helaas de twee flessen wijn nog te herinneren. Gelukkig gold dat niet voor de biertjes, het tafelwater en nog wat andere kleinigheden. (Voor geïntereseerden: jawel, de kater was aanzienlijk, vooral op 4200 meter.)

