Brazilie

De trein vanuit Santa Cruz in Bolivia bracht ons zonder problemen (eigenlijk relatief comfortabel voor Boliviaanse begrippen) naar de grens met Brazilië. Bij de Bolivaanse grenspost werden we nog een uurtje opgehouden door een beambte die vond dat er stempels in onze paspoorten ontbraken, maar die eigenlijk gewoon geld wilde hebben. Bij de Braziliaanse grens werd al duidelijk dat het land veel normaler met dit soort dingen omgaat, er was niemand. Een taxi bracht ons naar Corumba, dat vijftien kilometer van de grens af ligt. Daar konden we bij de immigratiedienst een visum halen in de vorm van een stempel, daarna vonden we een aardig hostel.
We werden
eigenlijk al meteen met de taal geconfronteerd. In Brazilië praat men portugees
met redelijk wat verschillen van het dialect dat in Portugal gesproken wordt. De
taal wordt ook wel de taal der engelen genoemd en niet zonder reden. Het is taal
met veel zachte klanken die heel zangerig en hartstochtelijk overkomt met veel
nasale klanken. Het portugese schrift is nog wel te ontcijferen omdat veel
woorden duidelijk uit het Spaans komen, maar het gesproken woord is een ander
verhaal. We praten tegen mensen in het Spaans, en ze antwoorden ons in het
portugees. Zij begrijpen ons beter dan wij hen.
Die middag aten we voor het eerst in een Braziliaans restaurant. Het verschijnsel buffet in combinatie met de woorden all-you-can-eat is er kennelijk een veel voorkomend verschijnsel. Voor nog geen zeven gulden aten we onze buikjes rond met eten van een kwaliteit en een smaak die we al maanden niet gehad hebben. Verschillende soorten vlees vers van de gril en een grote keus uit toetjes waarvan we niet konden herkennen wat het was maar die allemaal even lekker waren. Toen we een foto wilden maken van de gril die meer dan vijf meter breed was, was men verbaasd dat wij het zo bijzonder vonden en onstond er een leuk gesprek (over de taalbariëre heen) met de obers en werd ons duidelijk hoe ontzettend vriendelijk en open de mensen hier zijn, ook dit waren we al tijden niet meer gewend.
De volgende dag werd besteed aan een dagje rondkijken in Corumba dat aan de Uruguay rivier ligt. Opvallend vonden wij het feit dat er relatief veel auto's rondrijden, een teken dat Brazilië al een stuk rijker is dan Bolivia. Als je in winkels een gemiddeld popdeuntje hoort waar in het Portugees overheen wordt gezongen vind Jeroen dat meteen zo mooi dat we weer opzoek gaan naar de CD. In Brazilië bestaat een muziekstroming, Musica Popular Brazileira, die de westerse popmuziek mixt met latijnsamerikaanse invloeden, en gezongen wordt in het portugees. De singer/songwriter Djavan is een hele bekende ster op dit gebied. Opvallend is verder dat met name de dames goed in het vel zitten en zodanig gekleed gaan dat dat ook duidelijk zichtbaar is, en dat terwijl we nog ver weg van de stranden zijn. Mannen hebben vrijwel allemaal een buikje. Het blijkt ook dat zo ongeveer alle openbare telefooncellen rond dit gebied bestaan uit gigantische tropische vogels van kunststof met een telefoon in hun buik.
De volgende dag
vertrokken we al vroeg voor onze vierdaagse tour door de Pantanal. De Pantanal
is een natuurgebied dat in de provincie Mato Grosso do Sul ligt, in het westen
van Brazilië. Een gebied van zo'n 140 duizend vierkante kilometers is vrijwel
geheel privebezit van veel boeren die er koeien houden en een fazenda
(boerderij) hebben. Tevens is het een beschermd natuurgebied waarvan men zegt
dat het de grootste 'dierendichtheid' van Zuid-Amerika heeft.
Al snel draaide
de pickup truck (waar wij in de achterbak meereden) van de hoofdweg af een
zandpad op. Na een klein uurtje stopte de truck bovenop een heuvel en wees de
chauffeur ons op het uitzicht voor ons, de Pantanal. En inderdaad lag er een
uitgestrekt overwegend vlak landschap van graslanden afgewisseld met stukken bos
waar vooral veel palmbomen in voorkwamen. Afhankelijk van de tijd in het jaar
kan er bovendien veel water zijn, wij waren er gedurende het droge seizoen. We
reden verder en de hoeveelheid dieren die we gedurende de trip zagen beloofde
veel voor de tour. Capibaras (cavia's in het formaat van een flink varken) die
rustig opzij gingen voor de auto, krokodillen die lui in het water lagen te
zonnen, een vos die zicht afvroeg wat al die herrie toch was, en een aantal
herten dat niet wist hoe snel het weg moesten rennen. En we maakten al kennis
met de meest karakteristieke vogel van de Pantanal, een ooievaar (de grootste in
zijn soort) met een wit lijf, een zwarte kop, en daar tussenin een rode band,
die goed het gezegde 'zo groot als een ooievaar' waar maakt. Vijf uur later, met
een houten kont, arriveerden we op het kampterrein.
In de
daaropvolgende dagen maakten we goed kennis met de Pantanal. Omdat het nu winter
is in Brazilië werd het 's nachts erg koud (we schatten rond de vijf graden) in
onze hangmatten, terwijl het overdag lekker zomers is. Martine vatte daardoor
zelfs een koudje en liep de volgende paar dagen snotterend rond. In de buurt van
het kampterrein leefden een aantal armadillos, een pissebed ter groote van een
kat. Verder liepen er halftamme wasbeertjes rond en een kolonie apen die
klokslag zes uur iedere ochtend een boerwedstrijd begon zodat slapen verder
onmogelijk was. Later bleek het om slechts een enkele zeer gemotiveerde aap te
gaan.
We gingen weer
achterop de truck om een paar uur rond te rijden in het gebied. Tot onze grote
verbazing werd dit de tocht waarbij we de meeste dieren zagen. Na een uurtje
rondrijden zagen we plotseling een gigantische miereneter zich uit de voeten
maken. De gids sprong uit de auto om het beest op te drijven, enkele ogenblikken
later sprongen we met zijn zessen er ook uit om mee te doen aan de klopjacht. In
doodsnood blijkt zo'n beest best inventief te zijn om het gevaar te ontwijken,
het is ook niet helemaal ongevaarlijk voor de jagers omdat als een miereneter in
de aanval gaat, hij met zijn sterke voorpoten een mens veel schade kan
toedienen. Toen verscheen uit het niets een cowboy die met zijn paard en een
lasso die na enige moeite er in slaagde het beest te strikken zodat we allemaal
uitgebreid foto's konden maken, toeristen als we zijn. Na het beest weer
vrijgelaten te hebben vervolgde de onbekende cowboy zijn weg richting de
ondergaande zon.
Een tijdje later
zagen we in de verte een armadillo snuffelen. Twee van ons sprongen uit de auto
en wisten na een korte achtervolging en een spectaculaire snoekduik de staart
van het beest te pakken te krijgen. De gids liet ons zien dat deze pissebed een
geslachtsorgaan heeft dat menig man jaloers zou maken.
Tijdens een van
de voettochten vroeg de gids of we wellicht een krokodil (eigenlijk een kaaiman)
van nabij wilden zien. Na een volmondig 'ja' van onze kant liep hij een ondiep
meertje in en zocht een krokodil uit die hij vervolgens aan zijn staart onze
kant op sleepte, hetgeen het beest stoïcijns onderging. Vevolgens wreven we onze
oren uit toen hij het had over een 'white topped beer', helaas bleek het om een
'white tailed deer' te gaan.
We zaten ook een
middagje op een paard, of in het geval van Jeroen, een ezel. Opvallend is dat de
overal rondlopende koeien dan plotseling niet meer bang van ons zijn.
Na drie dagen
genoten te hebben in de Pantanal, en ondanks de vele waarschuwingen geen enkele
last gehad te hebben van muggen (waarschijnlijk door het relatief koude weer)
werd het tijd om weer plaats te nemen in de truck en ons achterste (dat nog maar
net hersteld was van de heenreis) bloot te stellen aan de terugreis. Na alle
rijst met bonen in de Pantanal aten we die avond in ons favoriete restaurant een
menu dat bestond uit een onbeperkte hoeveelheid pizza's (en dat voor zes gulden)
en wat biertjes, die in Brazilië overal heel erg koud geserveerd worden.
Bovendien maakten we kennis met een Griek die veel weg had van Woody Allen en
die Jeroen onder het noemen van de magische klanken 'CD' geld afhandig maakte om
vervolgens een dag later op te komen draven met kopietjes van muziek waarvan we
vermoeden dat het zo ongeveer de slechtste muziek is die je kan kopen in dit
land.
Twee dagen later
vertrokken we richting Bonito in een busje dat bestuurd werd door iemand die een
thema aflevering zou rechtvaardigen van het televisieprogramma 'Blik op de weg'.
Gelukkig kwamen we levend aan in Bonito, dat 'mooi' betekent in het portugees en
dat slaat dan weer op de natuurlijke omgeving in de buurt, in het bijzonder de
rivieren. Bonito bleek een dorpje te zijn dat op een soort onbenoembare manier
het ontspannen leven uitstraalt. Het lijkt erop alsof de meeste bewoners de dag
doorbrengen met niets doen.
Die avond zagen
we de wedstrijd Brazilië - Uruguay die werd gewonnen door Uruguay, vergelijkbaar
met als Nederland van Andorra zou verliezen. Inmiddels heeft geen Braziliaan dus
meer vertrouwen in het nationale elftal. Gelukkig wordt dat gecompenseerd door
het feit dat Brazilië recentelijk het wereldkampioenschap volleybal heeft
gewonnen, iets wat een aantal keer per uur op de nationale televisie wordt
gememoreerd door het winnende punt te laten zien.
Rond Bonito is genoeg te zien, veelal gerelateerd aan de mooie riviertjes die er in buurt zijn. Alle atracties zijn er echter op prive terreinen en er moet dus aan verdiend worden. Dit is er ook de oorzaak van dat het vervoer van Bonito naar de atractie aan de toerist wordt overgelaten, met als gevolg dat dit transport vaak nog duurder is dan de atractie zelf (de afstanden kunnen oplopen tot ruim 50 kilometer).
De volgende dag gingen we per motorfietstaxi naar Ilha do Padre twaalf kilometer verderop. Dit park bestaat uit een eilandje in een glasheldere bosrivier, omringd door een aantal watervallen. Hier hebben we een dagje zitten lezen en (in het geval van Martine) ook nog gezwommen in het erg koude water. Om in de namiddag weer terug in Bonito te komen begonnen we de terugweg af te lopen onderwijl elke auto met een opgestoken duim begroetend. Binnen enkele minuten op nog geen vijfhonderd meter van Ilha do Padre stopte een autobus waarin een man of twaalf met ontblote bovenlijven (aanzienlijke bovenlijven zelfs) ons uitnodigde om mee terug te rijden.
Binnen de bus
bleek de achterste helft van alle stoelen ontdaan te zijn en zaten de heren op
de vloer van een biertje te genieten. Zonder vragen hadden wij binnen enkele
ogenblikken ook een koud biertje in onze handen en zo zou het de rest van de
avond doorgaan. De heren bleken voor hun vakantie zo'n 40 kratten bier bij zich
te hebben. Aangekomen in Bonito reed de bus een campingterrein op waar de ze
bleken te kamperen. Uit het ruim werd een ghettoblaster ter grote van een kleine
auto uitgeladen waar vervolgens een CD in gestopt werd met muziek van de streek
in Brazilië waar ze vandaan kwamen: duitstalige countrymuziek, gelukkig bleek
het volume van de installatie in overeenstemming te zijn met zijn formaat:
oorverdovend. Ook werd er vuurwerk afgestoken, Jeroen mocht ervaren dat
vergeleken bij deze romeinse kaarsen (met terugslag) ze het in Nederland nog
niet helemaal begrepen hebben. We werden uitgenodigd om mee te eten, wat tegen
onze verwachting in erg lekker bleek.
Na een aantal
dagen Brazilië is Martine al redelijk in staat om een Braziliaan te verstaan en
met een soort kruising tussen portugees en Spaans terug te praten. Jeroen heeft
niet dezelfde gedegen spaanse opleiding als Martine en doet het dan ook een stuk
minder in de gesprekken. Jeroen heeft echter het voordeel van het kunnen
profiteren van het verschijnsel 'male-bonding'. Zet twee mannen die een
verschillende taal spreken bij elkaar, zorg voor voldoende alcohol, en ze worden
vrienden voor het leven zolang de avond duurt.
De avond vorderde gezellig, de muziek was inmiddels via de Bee-Gees bij Nirvana aangekomen en Jeroen probeerden de heren duidelijk te maken hoe Nederlanders dansen op deze muziek. Bij een halve draai om iemand zijn nek ging het mis, Jeroen werd lostgelaten en kwam hard met zijn hoofd met een stenen bankje in aanraking. Met zijn hoofd onder het bloed werd in de grote bus de weg naar het nabijgelegen ziekenhuis ingezet. Daar aangekomen mocht de dienstdoende dokter zeven hechtingen in de aanzienlijke snee op Jeroen's voorhoofd aanbrengen. Vervolgens gingen we in de bus naar de apotheek (die in tegenstelling tot in Nederland hier vrijwel altijd open is) om daar de nodige antibiotica en andere medicijnen te halen. Ten slotte werden we door onze geschrokken vrienden voor ons hostel afgezet, waar ook nog bleek dat de eigenaars zich al zorgen om ons gemaakt hadden.
De volgende dag,
3 juli, was de verjaardag van Martine. Het werd een rustige dag. Rond de middag
werden we gebeld (zoals afgesproken) door het thuisfront voor de felicitaties.
Daarna genoten we met zijn tweetjes van een verjaardagsbuffet (jawel, all you
can eat). In de namiddag wisten we toch nog tegen onze verwachting in een plaats
te vinden waar we taart konden kopen. 's Avonds werd in de ontbijtzaal van het
hostel door de opgetrommelde familie Martine toegezongen met de Braziliaanse
versie van 'Lang zal ze leven'. Vervolgens vertrokken we met de resterende taart
naar de camping om onze nieuwe vrienden, zoals de vorige avond beloofd, een stuk
te brengen. Men bleek een stuk minder in een feeststemming te zijn dan de avond
ervoor. Het bleek dat ze de volgende dag erg vroeg op moesten staan.
Teruggekomen bij het hostel zagen we een filmpje en sliepen we vredig in, Jeroen
met een voorhoofd dat nog steeds twee keer zo groot was als normaal, en Martine
nog een beetje verbouwereerd over een verjaardag zonder vrienden en familie.
De volgende dag moesten we vroeg op voor onze trip naar Rio da Prata (http://www.riodaprata.com.br), ruim vijftig kilometer van Bonito af. Daar aangekomen bij een huis (waar vanaf straalde dat het best lucratief is om een toeristenatractie te hebben in Bonito) kregen we een neopreen pak uitgerijkt waarmee we warm zouden blijven in het water (Rio da Prata is een rivier). Vervolgens reden we met het busje tot bij de rivier en konden we van dichtbij zien dat het water inderdaad erg helder is. We liepen een uurtje over een bospad langs de rivier, terwijl we wat wilde dieren tegenkwamen (zwijntjes, apen). Uiteindelijk kwamen we aan bij een klein meertje waar we te water gingen. Het water hier was zelfs nog helderder dan wat we eerst zagen. Er zwommen veel grote vissen rond die helemaal niet bang bleken te zijn voor de in het water aanwezige mensen.
Gedurende onze twee uur durende zwemtocht die volgde, bleven we ons verbazen over de helderheid van het water. We kwamen langs een stuk bodem waaronder een warmwater bron zat. Tegen het eind, toen de riviertak waarin we zwommen zich voegde bij de hoofdrivier werd het water een stuk kouder en minder helder. Uiteindelijk kwamen we aan bij de plek waar we weer aan land gingen en onze kleren aan konden doen. We werden met het busje afgezet bij het huisje en konden aanschuiven aan het lunchbuffet. Na een paar uurtjes uitbuiken in de aanwezige hangmatten gingen we terug naar Bonito.
De volgende dag
genoten we nog even van de rust die het dorpje uitstraalde alvorens we onze reis
vervolgden naar Foz de Igaçu. Rond de middag stapten we op de bus naar Ponta
Pora, waar we om 18.30 uur arriveerden. In tegenstelling tot wat ze ons in
Bonito hadden verteld bleek er geen aansluiting te zijn naar Foz do Iguaçu. Om
21.30 uur namen we dan maar een bus naar Dourados dat een stuk in de goede
richting lag. Om 23.00 uur arriveerden we er, en namen om even na middernacht
een bus naar Guaira waar we rond zes uur 's ochtends aankwamen. En daar hadden
we dan uiteindelijk een bus naar Foz do Iguaçu die rond de middag aankwam, 24
uur later.
Foz do Iguaçu
ligt aan de Braziliaanse kant van het drielandenpunt van Brazilië, Argentinië
(met Puerto Iguaçu) en Paraguay (met Ciudad del Este). Allemaal van elkaar
gescheiden door twee samenkomende rivieren.
De eerste middag besloten we meteen om de brug over te lopen richting Paraguay om eens te kijken hoe Ciudad del Este eruit ziet, hetgeen hetgrootste winkelcentrum van Zuid-Amerika schijnt te zijn. Het bleek er druk en lawaaierig te zijn, met veel verkopers die aan alles wat beweegt iets proberen te verkopen. We verbaasde ons over de hoeveelheid moderne technische speeltjes die er te krijgen zijn, en die we verder nergens anders in Zuid-Amerika tegen zijn gekomen. Na een paar uur hadden we slechts een CD (een kopie natuurlijk) en een mate (kruidenthee) drinkbeker gekocht. Terug over de brug liepen we mee met de stroom Brazilianen en Argentijnen die tassen vol met koopjes meezeulden.
De volgende dag
bezochten we de beroemde Iguaçu watervallen aan de Argentijnse kant. Een bus
bracht ons er naar toe en vervolgens gingen we met een andere bus, een bootje en
een looppad naar het middelpunt van de waterval, Garganta del Diablo
(duivelskeel), waar we een uitzicht hadden dat te vergelijken is met hoe men in
de middeleeuwen de rand van de platte aarde voorstelde, erg indrukwekkend. Even
later op een ander looppad konden we de kleinere watervalletjes aan de zijkant
van dichtbij bekijken.
De dag erna
bezochten we de Itaipu dam, het is de grootste stuwdam ter wereld en voorziet
een kwart van Brazilië van stroom. Even om indrukwekkende getallen te noemen: de
dam is tussen 1975 en 1991 gebouwd, heeft 40 keer de watercapaciteit als de
watervallen van Iguaçu, er is 15 keer de hoeveelheid beton gebruikt als bij de
Eurotunnel en van het gebruikte staal kan men 380 Eiffeltorens bouwen. De dam is
7400 meter lang, 273 meter diep, 196 meter hoog. Al met al een indrukwekkend
gezicht dus.
De daarop
volgende dag bezochten we de Braziliaanse kant van de watervallen. Het weer was
een stuk mooier (=zonniger) dan toen we aan de andere kant waren. De watervallen
bevinden zich vooral in Argentinië maar wij vonden het uitzicht aan de
Braziliaanse kant een stuk mooier. Hier had je geweldige uitzichten over het
gehele complex van watervallen, om maar niet te spreken van alle regenbogen die
we zagen, we hielden niet op met het maken van foto's.
De middag
besteedden we aan het vinden van een betaalbare plaats om de hechtingen van
Jeroen er uit te laten halen, hetgeen nog niet mee bleek te vallen in Foz. Die
avond vertrokken we richting de kust, Curitiba.
Om 7.00 uur de
volgende ochtend kwamen we keurig aan in Curitiba. Een uur later namen we de
trein richting Paranagua. Volgens de reisboeken zou dit een mooie treinreis
zijn, en dat bleek niet gelogen. Omdat het een doordeweekse dag was ging de
trein niet helemaal door naar Paranagua maar stopte in Morretes, waarvandaan we
het laatste stukje met de bus aflegde.
Paranagua is de havenstad waar Paraguay gratis gebruik van mag maken, en dat merk je ook aan de hoeveelheid vrachtauto's op weg naar de stad. Wij kwamen terecht in een pousada (hostel) die van ons de prijs krijgt voor schoonste slaapgelegenheid in Zuid-Amerika. Helaas vond de eigenaar het een beetje te leuk dat er in dit laag-seizoen toeristen aanwezig waren, waardoor hij te pas en te onpas ons de oren van het hoofd kletste.
Twee dagen later
(na een door de nachtbus noodzakelijke rustdag) maakten we een dagtrip naar Ilha
do Mel (honingeiland) aan de kust. Na bijna twee uur in de bus gezeten te
hebben, kwamen we aan bij de kust van Brazilië en namen we de veerboot naar het
eiland. We werden een beetje teleurgesteld door wat we daar zagen. Het weer was
al niet zo zonnig, het strand niet zo wit, en de zee ook al niet blauw. Na een
korte wandeling naar een fort besloten we maar weer naar het schilderachtige
Paranagua terug te gaan. Paranagua heeft een mooie rij koloniale panden aan het
(rivier-)water staan, bij nadere inspectie bleken het slechts gevels te zijn die
op een onduidelijke manier nog overeind stonden.
De volgende dag was weer een rustdag. Die avond speelde Ecuador tegen Colombia in de America Cup. Opvallend is dat door de slechte prestaties van het Braziliaanse voetbal team de mensen liever naar een soap op het andere kanaal kijken (Brazilianen zijn verslaafd aan soaps). De dag erna speelde Brazilië tegen Peru en dat was wel boeiend genoegd voor de locals om te bekijken. Dezelfde avond vertrokken we met wederom een nachtbus naar São Paulo.
Met weinig slaap kwamen we om 6 uur 's ochtends aan in de grootste stad van Zuid-Amerika (vier keer zo groot als Parijs met ruim 25 miljoen inwoners). Met moeite sleepte we onszelf en onze (inmiddels behoorlijk zware) rugzakken naar een hostelletje in een dubieuze buurt om wat slaap in te halen.
Toen we zo tegen
de middag weer het daglicht zagen bleek de straat gevuld te zijn met winkels
waar ze muziekelectronica verkochten, hier besloot Jeroen de rest van zijn leven
te wonen. Gelukkig was Martine er om hem weer tot de realiteit te brengen. Die
middag bekeken we São Paulo van dichtbij. Het bleek een bijzonder westerse stad,
waar flatgebouwen en gigantisch grote oude gebouwen elkaar afwisselen. Het doet
ons af en toe een beetje denken aan New York (waar we allebei nog nooit geweest
zijn). Die avond dronken we een chopp (licht bier) in Leo's bar, waar het
volgens de boeken het beste moest zijn. Het was in ieder geval het duurst.
Omdat we nog
steeds op zoek zijn naar een bepaald model blender bezochten we de dag erna een
van de vele shoppingmalls die São Paulo rijk is. Het bleek een middelgroot
gebouw met vooral veel mode winkels, niks bijzonders dus. Opvallend is dat de
Braziliaanse vrouwen broeken dragen die laag uitgesneden zijn. In Nederland zie
je dat ook wel eens, maar hier vraag je af hoe de pijpen van een broek toch aan
elkaar blijven zitten.
De volgende dag trokken we weer door. Twee uur voordat de bus naar Paratí zou vertrekken melden we ons om 10 uur in de ochtend bij het busstation om daar te horen dat er geen plaats was en we tot 16.00 uur moesten wachten voor de volgende bus. Gelukkig is het busstation in São Paulo een van de grootste en saaiste busstations die we tegen zijn gekomen. Martine puzzelde wat, en Jeroen werd op zijn versgekocht radiootje teleurgesteld in het antwoord op de vraag of er van alle goede muziek die in Brazilië wordt gemaakt ook iets op de radio te horen is.
Om 16.00
vertokken we, en al snel werd het donker (dat gebeurt vrij vroeg nu in de
winter). Paratí ligt aan de kust, en de vijf uur durende tocht gaat voor een
belangrijk deel langs die kust. Na ongeveer twee uur rijden zagen we plotseling
beneden ons een pittoresk dorpje liggen in een halve maan rond een ongelofelijk
mooi strand. Het was inmiddels zo donker geworden dat we alleen wat lichtjes in
de verte zagen. Gedurende de rest van de reis bleven we genieten van de mooie
stranden met palmbomen en helder water waar we frustrerend genoeg in het geheel
niets van zagen.
Paratí is een van
de meest pittoreske dorpjes in Brazilië (zeggen ze). Het ligt aan het stuk kust
tussen São Paulo en Rio de Janeiro, dit stuk wordt ook wel de Costa Verde
genoemd (groene kust) vanwege de helder groene kleur van het water. Het oude
centrum van Paratí ligt aan het water, en bestaat uit kleine koloniale huisjes.
Tijdens vloed loopt een deel van de straten onder water (zoals we tot onze
verbazing ontdekten nadat we een paar minuten ergens binnen waren geweest en
niet meer weg konden).
Tijdens ons
verblijf voeren we een dagje mee op een echte schoener vol met toeristen om een
aantal mooie stranden in de buurt te bezoeken. Bij aankomst bij het eerste
strand sprongen we overboord in het helder groene water en zwommen naar de kust.
Toen we een uur later terug bij de boot kwamen bleek de motor niet meer te
werken. Enkele uren later werden we terug gesleept naar Paratí zonder nog meer
stranden gezien te hebben.
Paratí is ook het
dorpje waar ze een wereldberoemd poppentheater hebben. Nu zijn we wel de
leeftijd gepasseerd waarop we dit soort dingen leuk vinden, maar we besloten
toch een voorstelling te gaan zien. Het is ongelofelijk hoe twee mensen in
geheel zwarte kleding de poppen tot leven kunnen wekken.
Omdat het weer
nog niet zodanig was geweest dat we veel strand hebben gezien besloten we dat
onze volgende stop op Ilha Grande (http://www.ilhagrande.com.br) moest zijn. Met
de bus reden we naar Angra dos Reis (het Monaco van Brazilië volgens de
reisgidsen), en stapten op de boot (wederom een schoener) die ons in twee uur in
de miezerende regen naar het eiland bracht.
Ilha Grande is
een eiland voor de kust van Brazilië dat achtereenvolgens door zeerovers van
verschillende nationaliteiten, slavenhandelaars en vissers is gebruikt als
woonplaats. Met zijn ongeveer 190 vierkante kilometer heeft het meer dan 100
stranden.
Uit frustratie
over de regen, en om toch een zomergevoel te krijgen genoten we die avond op het
eiland van een uitstekend ijsbuffet. De dag daarna regende het nog steeds, dus
werd de dag besteed aan een studie van de Braziliaanse televisie. De volgende
dag liepen we een kort stuk naar een oude gevangenis en een oud aquaduct uit
1870, om vervolgens die avond via een ingewikkeld systeem met een enkele paraplu
vanuit het restaurant in de stromende regen bij een café te komen om gezellig
met wat mensen een drankje te nuttigen.
De dag erna
regende het niet, zodat we ons meldden bij een boot die ons naar het Lopez
Mendes strand zou brengen. Dit strand is volgens National Geographic een van de
tien mooiste stranden op onze planeet. Toen we er arriveerden gebeurde het
ongelofelijke: de zon brak door. Nadat we een half uurtje genoten hadden van de
warmte en het inderdaad hele mooie strand, en net op het moment dat we begonnen
te twijfelen of we niet toch een stukje wilden zwemmen, betrok de lucht weer. De
volgende dag, moe van het wachten op strandweer vertrokken we met de boot en de
bus richting Rio de Janeiro.
Na een relatief
korte busreis arriveerden we in Rio de Janeiro. We werden afgezet in de wijk
Catete waar we een goedkoop hostel vonden (voor ons het duurste ooit).
De leuke wijken
van Rio liggen allemaal aan de kust, evenals alle beroemde stranden van de stad.
De volgende dag liepen we van ons hostel, langs de stranden richting het zuiden.
Via het Flamengo strand (waar we voor het eerst de Pão de Açucar, de
suikerbroodberg zagen) en het Botafogo strand kwamen we terecht in het Rio Sul
shopping centre. Ondanks het feit dat het een schitterende dag was bleven we
toch enige uren hier binnen hangen om veel te veel geld uit te geven aan kleding
en CD's, die in Rio veel en veel goedkoper zijn dan wat we gewend zijn in
Nederland. Na afloop liepen we nog even door de tunnel naar de wijk Copacabana
om een blik te werpen op het Copacabana strand in de ondergaande zon,
waarschijnlijk het meest beroemde strand ter wereld.
De dag daarop was
het regenachtig. Ons stranduitje werd uitgesteld en we namen de ontzettend
nieuwe en mooie metro naar het oude stadscentrum in het noorden. We liepen door
de Carioca straat, die een van de oudste in Rio is en toevallig ook nog eens vol
zit met kleine muziekwinkeltjes en een schitterende bioscoop die tegenwoordig
gebruikt wordt voor het vertonen van films voor boven de achttien jaar. Een
bescheiden lunch gebruikten we in Confiteria Colombo, een erg oud gebouw, met
een gigantische hal waarin we de sterkste koffie dronken die we ooit proefden.
Aan het eind van de middag wilden we nog even naar de wijk Santa Teresa lopen
(een mooie maar ook erg misdaadrijke wijk). Op weg ernaartoe kwamen we al zoveel
dubieuze figuren tegen dat we besloten er van af te zien.
De volgende dag
was het weer al iets beter. Omdat het zondag was, was er niet veel meer te doen
dan naar het strand te gaan, hetgeen we ook deden. We konden duidelijk zien dat
de stranden in Rio de functie hebben van het Vondelpark in Amsterdam. Mensen
komen er om te zien en gezien te worden, te sporten, snacks te verkopen, en te
socializen.
Die maandag was het eindelijk weer schitterend weer zodat we onze looptocht door Rio voortzette vanaf het Copacabana strand. Het is winter in Brazilië (op een zonnige dag rond de 30 graden) zodat de meeste Brazilianen niet op het strand liggen. De wijk Copacabana beslaat een kuststrook van ongeveer vier vierkante kilometer, afgesloten door rotsen. Er staan erg veel flats aan de kust en mensen dragen erg veel strakke kleding. Het strand zelf ziet eruit alsof het zo uit een reisfoldertje komt. Een brede witte strook zand naast de boulevard (met een beroemd tegeltjespatroon), en een branding op enkele meters afstand van de waterlijn in het heldergroene water.
Ten zuidwesten
van Copacabana ligt de wijk Ipanema, met het bijbehorende Ipanema strand. De
branding was hier nog heftiger dan in Copacabana zodat we veel surfers bezig
zagen deze te bedwingen. In de Ipanema wijk is een kroegje, 'Garota de Ipanema',
waar enige decennia geleden de heren A.C. Jobim (muziek) en V. de Morais (tekst)
het nummer 'The Girl from Ipanema' componeerden, geïnspireerd door een
heupwiegende dame die langsliep (muzikanten zijn ook overal hetzelfde). Dit
nummer is zo ongeveer de meest bekende Bossa Nova ter wereld, en iedere muzikant
die zich een beetje met Jazz heeft bezig gehouden kent het.
Even later
belanden we in een barretje in een achteraf buurt waar volgens de reisgidsen
lekkere sucos te krijgen waren. Hier werden we in het engels aangesproken door
een heer die zichzelf voorstelde als een aristocraat. Dit werd bevestigd door
zijn bekakt engels accent (hij was van Brazilië) en het bijbehorende chokertje.
Zijn aanbod op een drankje konden we niet weigeren en zo verlieten we drie uur
later met een smoes en een beetje beschonken (ongelofelijk hoeveel alcohol ze in
vruchtensap kunnen stoppen) het kroegje.
De volgende twee
dagen lagen we lekker aan het strand, achtereenvolgend op het Flamengo strand
(waar er teveel troep in het water drijft om erin te zwemmen) en het mythische
Copacabana strand (waar het water ook vervuild is maar je het niet zo merkt). Op
beide stranden word je regelmatig lastig gevallen door verkopers die van alles
verkopen: gekoelde blikjes, ananas (Brazilië heeft volgens ons de lekkerste ter
wereld), T-shirts, baddoeken, hoeden, zonnebrillen, garnalenspiesen, tatooages
en meer, en dat voor relatief lage prijzen.
De donderdag erna
moesten we vroeg op om op tijd bij het internationale vliegveld te zijn (Rio
heeft twee vliegvelden) om de ouders van Martine en haar beide broers te
verwelkomen die ook een aantal weken in Brazilië zouden komen doorbrengen. Het
welkom was hartelijk en ze waren verbaasd over de inmiddels lange haren van
Martine en de onspannen blik in Jeroen's ogen. De pepermunt en drop uit
Nederland werd door ons blij ontvangen en we vertrokken naar ons hostel. Moe van
de reis besloten we maar een middagje strand te doen, het Copacabana strand.
Hier trokken Klaas en Lucas (de twee broers) veel bekijks gezien hun lengte en
witte haren. De dag werd afgesloten met een ontzettende lekkere mixed-gril
schotel (dat kunnen ze hier wel) en een biertje in een lokaal barretje. Deze
barretjes zie je overal en ze hebben de atmosfeer en inrichting van een keuken,
maar zijn toch erg populair bij de bevolking.
Vrijdag gingen we
op stap naar het oude centrum. De hele familie was verbaasd over de relatief
lage prijzen van kleding, dus ondanks de mooie gebouwen in de omgeving werd er
een dagje geshopt.
De volgende dag
bezochten we eindelijk (voor ons) het Christusbeeld dat boven op de berg
Corcovado (709 meter) over de stad uitkijkt. Ansichtkaarten doen geloven dat dit
beeld een prominent zicht is in Rio maar rondlopend in Rio zie je het beeld
nauwelijks in de verte. Met een minitour werden we eerst naar een lager
uitzichtpunt gebracht. Hier hadden we een schitterend uitzicht over een groot
deel van Rio inclusief alle beroemde stranden. Bij het beeld zelf bleek het
uitzicht een stuk minder te zijn. Het beeld zelf is ruim dertig meter hoog en
heeft zijn armen uitgestrekt als om de stad te beschermen. Met het
tandradtreintje bereikten we het zeeniveau wederom. De rest van de dag brachten
we door in het shoppingcentrum Rio Sul waar er weer veel te veel geld werd
uitgegeven aan CD's en kleding.
De dag erop
bezochten we als echte toeristen de suikerberg die ruwweg tussen de stranden van
Botafogo en Copacabana ligt. Met een tweetraps kabelbaan werden we naar het
topje van de berg gebracht op 396 meter hoogte. Hier konden we een deel van de
kuststrook van Rio overzien. De rest van de dag genoten we weer van de zon op
het Copacabana strand evenals de dag erop, onze laatste dag in Rio de Janeiro.
We vetrokken de volgende dag per bus naar het noorden, met zijn tweetjes weer, de rest van de familie had het vliegtuig naar het zuiden genomen. Het werd onze langste (27 uur), duurste en ook meest luxe busreis van onze trip. De bestemming was Salvador, ongeveer 10 breedtegraden dichter bij de evenaar.
Na een
oninteressante busreis arriveerden we rond twee uur in de middag in Salvador.
Met veel moeite sleepten we onze rugzakken naar ons hostel, en gingen de stad
verkennen. Men zegt van Salvador dat het de muzikale hoofdstad van Brazilië is.
Salvador is bovendien een stad met heel veel Afrikaanse invloeden. Op straat
staan groepen mensen de vechtdans Capoeira te demonstreren, begeleid door de
berimbau (een boog met een snaar en een stuk kalebas als klankkast) en wat
percussie. Het centrum van de stad bestaat uit een laag gedeelte aan het water
en een hoog gedeelte waar de oude gebouwen geconcentreerd zijn. Met een lift
overbrug je het 70 meter hoogteverschil. De oude huizen zijn na restauratie in
kleurige kleuren geschilderd, en bevatten vooral winkeltjes waar je T-shirts en
Afrikaanse percussie instrumenten kunt kopen. 's Avonds is er vrijwel overal
live muziek.
Na anderhalve dag
stad verkennen spraken we af met Aart, een Nederlander die al 25 jaar in
Brazilië woont en een ananasplantage heeft, en die een bekende is van de familie
van Martine. De middag werd doorgebracht op een terrasje voor een toeristische
vorm van Capoeira beoefend wordt (er wordt geld voor gevraagd), later zagen we
een groep Capoeira beoefenen op een veel indrukwekkender wijze (zij vroegen
bovendien geen geld). 's Avonds vertrokken we naar het vliegveld om de rest van
de familie op te vangen die terugkeerden van de watervallen in het zuiden.
De volgende twee
dagen werden weer doorgebracht met het opnieuw en ook verder verkennen van de
stad. Zondag werden we uitgenodigd door een vriendin van Aart die in Salvador
woonde voor een echte barbecue. In Brazilië is een barbecue grootschaliger dan
in Nederland. Er was vooral veel vlees aanwezig, dat samen met de gekoelde
biertjes prima smaakte op het dakterras. Toen ze er achterkwamen dat Jeroen een
pianist was, werd er snel verhuisd daar een kamer waar een echte piano bleek te
staan, voor Jeroen al zo'n zeven maanden geleden dat hij er voor het laatst een
aangeraakt had. Gelukkig bleek het erg mee te vallen met het verdwijnen van zijn
pianotechniek, en wist hij zelfs nog wat latijns-amerikaanse muziek uit zijn
vingers te halen.
Na de BBQ
vertrokken we naar een openbare repetitie van de wereldberoemde band Olodum,
voor een klein bedrag (een van de weinige bands in deze wereld die het zover
heeft geschopt dat mensen willen betalen voor het bijwonen van een repetitie).
Een gezelschap dat bestaat uit ongeveer 30 mensen die percussie-instrumenten
bespelen (vooral trommels). Een toegevoegde zanger maakt de muziek nog wat
toegankelijker. Het was een enorme herrie, maar met ontzetten veel energie. Het
publiek ging uit zijn dak, maar na een uur waren we al zo doof geworden dat het
tijd werd om in een rustiger lokale kroeg een nachtmutsje te nuttigen.
De volgende dag
waren we in de gelegenheid om een echte Candomble ceremonie bij te wonen.
Candomble is een religie die veel in de omgeving van Salvador beoefend wordt en
een soort mix is tussen westerse en Afrikaanse religies. We kwamen terecht in
een ruimte waar een aantal vrouwen als een soort priesteressen het geheel in
goede banen poogden te leiden. Allereerst werd er bijzonder lang gebeden (daar
leek het op tenminste), en vervolgens kregen de priesteressen een voor een
toeval en zakten onder het uitroepen van kreten naar de grond. Vervolgens kon
het publiek de dames knuffelen waarna de volgende priesteres aan de beurt was in
een schijnbaar onlogische volgorde. Na afloop van de erg informele ceremonie was
er gelegenheid tot het eten van popcorn en het drinken van een drankje dat nog
het meest op gemalen aardappel met suiker leek. Ook werd er nog gezongen terwijl
de mensen meeklapten. Zelden hebben we een swingender klappende groep mensen
gehoord.
De dag erop
verkenden we de wijk Barra, aan de Atlantische kust (de rest van Salvador ligt
aan een baai). Dit is een wijk die bezaaid is met hotels en wat luxere stranden,
verder bleek er eigenlijk niet zoveel te beleven. Met name in het hoogseizoen
schijnt het hier prima te zijn om uit te gaan.
Die avond
vertrokken we met zijn allen in de nachtbus richting Trancoso. Om een uur of zes
's ochtends stapten we over in een lokaal busje dat het laatste stuk zou
afleggen. Na de zoveelste bocht bleek er in het bagageruim van de bus een vol
olievat te liggen dat met veel geweld het luik openbutste en de berm in rolde.
Met vereende krachten werd het al een beetje gehavend blik weer de bus ingerold
en werd de reis voortgezet. Wat iedereen al aan zag komen gebeurde en dus zagen
we binnen een paar minuten het olievat weer de berm in zeilen tijdens het nemen
van een bocht. Het vat lekte inmiddels een beetje maar werd toch weer in het
bagageruim gerold en weer gingen we verder. Een paar minuten later was het
echter over, het vat schoot bij een bocht de bus uit en spatte open op een stuk
beton aan de kant van de weg.
Rond 9 uur
arriveerden we in Trancoso en konden we de woonplaats van Aart bewonderen. Het
centrum van Trancoso bestaat uit een grasveld dat aan beide zijden omgeven is
door kleine karakteristieke felgekleurde huisjes. Aan een kant staat een kerkje
en voorbij het kerkje kan je de Atlantische oceaan zien liggen.
Het dorpje
straalt een ontzettende rust uit en we kunnen begrijpen waarom Aart er inmiddels
bijna 25 jaar woont. Wij worden ook meegesleurd in het levenstempo en besteden
onze dagen aan uitslapen, relaxen en naar het strand gaan. Een ochtend bezochten
we de plantage van Aart waar hij naast vooral ananassen ook kokosnoten, papaya,
maracuya en graviola verbouwt. Zevenentwintig hectare vol met tropische
lekkernijen. Een avond waren we op een reggae feest. Het bleek een in openlucht
kroeg te zijn waar op het moment dat het feest los moest barsten gewoon de
muziek harder werd gezet voor de weinige gasten.
Maandag vetrokken
we naar Porto Seguro om daar nog even rond te kijken en een indianenreservaat te
bezoeken. Het bleek een grappig leuk stadje te zijn en we vonden het jammer dat
we geen tijd meer hadden om er langer rond te hangen. Met name de verjaardag van
een vriend van Tom (een vriend en Nederlandse touroperater) was een groot
succes.
Dinsdag 21 augustus vertrokken we per vliegtuig naar São Paulo om vanuit daar de volgende dag met de KLM terug naar Nederland te vliegen. Donderdag 23 augustus arriveerden we rond de middag op schiphol waar we verwelkomd werden door een select gezelschap vergezeld van een spandoekje. Weer thuis.

