Bolivia



De volgende dag vertrokken we vroeg naar onze volgende stop. En zo kwamen we in de loop van de middag aan in Bolivia, in Copacabana (eat your heart out Barry Manilow), net na de grens tussen Peru en Bolivia, aan het Titicaca meer. Copacabana is een plaatsje dat grotendeels leeft van de toeristen die de plaats gebruiken als startpunt voor een tour langs de diverse Boliviaanse eilanden op het Titicaca meer.

De volgende dag waren we zo gaar van al het getour in Peru dat we de tour nog even uitstelden. In plaats daarvan liepen we aan het eind van de middag naar de berg die naast het dorpje ligt, waarvandaan wat kerkelijke bouwwerken het meer overzien. Ons was verteld dat de zonsondergang vanaf dat punt spectaculair zou zijn. Na ruim een uur gewacht te hebben op het verdwijnen van de zon kwamen we erachter dat het tijdsverschil tussen Peru en Bolivia een uur bedraagt, en we dus nog minimaal een uur moesten wachten. Omdat het bij een steeds lager staande zon ook steeds kouder werd besloten we om hier niet op te wachten, temeer daar er ook al wolken aan de horizon waar te nemen waren die een mooie foto onmogelijk zouden maken. Bovenop dezelfde heuvel bleek ook een marktje te zijn waar men miniatuur auto┤s, winkeltjes, diploma┤s en meer verkocht. Na aankoop van zo┤n voorwerp ben je verzekerd van het feit dat je binnen het jaar het gekochte voorwerp in de echte variant zal bezitten. De miniatuur stapeltjes bankbiljetten zijn het populairst.

Het mooie Titicaca meer De volgende dag vertrokken we met een tour (jawel) naar Isla del Sol. Volgens de overlevering is hier de zon geboren. Naast dit eiland ligt de geboorteplaats van de maan, het veel kleinere Isla de la Luna waar we niet geweest zijn. Met de boot werden we afgezet op de noordelijke punt. In een kleine vier uur liepen we vervolgens naar de zuidelijke punt waar we later op de middag weer opgepikt werden door de boot. Gedurende onze voettocht konden we merken dat de relatie tussen de zon en zijn geboorteplaats verre van optimaal is, de zon liet zich ongeveer alleen het laatste kwartier zien, zodat het surrealistische landschap van het eiland zich slechts in een druilerig regentje liet zien. Omdat we de laatste bus van 18.00 uur moesten halen naar La Paz, was het zaak dat de boot in een keer terug naar Copacabana zou gaan. Gelukkig was er nog een toerist aan boord om dit voornemen te dwarsbomen, hij wilde als enige nog een ru´ne op het eiland bezoeken die alleen met een boot bereikbaar is. Aangekomen bij de ru´ne kwam deze persoon tot het inzicht dat de zoveelste hoop stenen niet opweegt tegen de vijandigheid van de rest van de bootpassagiers, zodat we op tijd voor onze bus waren.

En zo arriveerden we een paar uur later in La Paz. De stad bestaat eigenlijk uit twee delen. Een arm gedeelte, El Alto, dat op de rand van een afgrond ligt, en La Paz zelf dat vierhonderd meter lager in het dal ligt. Met de bus kwamen we aan aan via El Alto met een fantastisch uitzicht op het nachtelijke La Paz alsof je aan komt vliegen.

De heksenmarkt in La Paz La Paz is de hoogste hoofdstad te wereld (rond de vier kilometer). De binnenstad bestaat overdag uit een grote markt, en de stad wordt geflankeerd door het Cordileirra Real gebergte. De markt is zo groot dat er hele straten (soms zelf hele wijken) gewijd zijn aan een productgroep. Zo liepen wij door de sterke drank straat, en door de kipstraat. Ook is er een stukje heksenmarkt waar oude vrouwtjes proberen dingen te verkopen als gedroogde embryo┤s van een lama, en andere minder goed identificeerbare zaken.

We hebben een avond in plaats van in een restaurant ons avondeten bij een straatstandje genoten. Later hoorden we dat een gast in ons hostel in het ziekenhuis was opgenomen vanwegen het eten 'van de straat'. Aangezien we nog steeds leven vermoeden we dat we na alle problemen met de spijsvertering we zo resistent geworden zijn dat we het bijna aandurven om rauw vlees op de markt te eten (dat er vaak al uren hangt).

La Paz In onze looptochten kwamen we ook het Coca-museum tegen. Zo weten we nu dat er sinds 1914 geen coca´ne meer in Coca Cola zit, en dat er in die tijd een franse wijn bestond waarvan een glas meer coca´ne bevatte dan een goede snuiver op een avond binnenkrijgt. Ook werd er ingegaan op de bestrijding, en de rare dingen die Amerika daarbij doet. Een klein maar interessant museum.

La Paz We liepen langs een muziekwinkel (een winkel die naast souvenirs ook panfluiten, CD┤s en gitaren verkoopt), en we raakten in gesprek met de eigenaar, Eddy Lima, die een begenadigd fluitspeler bleek te zijn die op diverse festivals in Europa (ook in Nederland) had gespeeld. Op verzoek van Jeroen liet hij wat CD┤s horen waarop Boliviaanse muzikanten in vreemde bezettingen (jazztrio + panfluit) jazzmuziek ten gehore brachten. De conclusie van Jeroen was dat ofschoon het technisch nivo af en toe bewonderingswaardig was, de Bolivianen absoluut niet kunnen swingen (spelen met opvatting, triolenfeel, niet recht).

Het beginpunt in de sneeuw Zaterdagochtend begonnen we aan een mountainbiketocht over de gevaarlijkste weg in Zuid-Amerika (sommige zeggen zelfs de gevaarlijkste in de wereld). Gemiddeld genomen stort er eens in de twee weken een bus in de afgrond (zo┤n 32 per jaar). Wat de tocht verder zo bijzonder maakt is dat tussen start (La Cumbre, in de buurt van La Paz op 4700 meter hoogte) en finish (Coroico, eigenlijk Yolosa, op 1100 meter hoogte) je in ongeveer vijf uur fietsen behoorlijk daalt over een afstand van 65 kilometer. De firma waarbij we dit deden heet dan ook toepasselijk Gravity (http://www.gravitybolivia.com).

Mooi uitzicht onderweg Met het busje werden we afgezet op het hoogste punt, boven de sneeuwgrens. We maakten kennis met de mountainbikes en de twee gidsen die gedurende de gehele tocht voor en achter ons zouden rijden voor de veiligheid. Het eerste uur was makkelijk, over asfalt, alleen met de handrem, door wolken heen gingen we met een flinke snelheid naar beneden in de hoop dat het snel wat warmer zou worden. Na een korte stop voor een snack, reden we verder en stopte het geasfalteerde stuk en ging over in een grindpad, waardoor onze gemiddelde snelheid wat lager werd.

Je ziet de weg steeds verder naar beneden gaan Een paar minuten later stopten we bij een ravijn. Rechts van ons zagen we de gevaarlijkste weg ter wereld beginnen en de diepte in verdwijnen, niet breder dan een auto. De gids legde het een en ander uit over het op een veilige manier berijden van deze weg en het omgaan met tegenliggers, om ons vervolgens doodleuk te vertellen dat wij als omlaag gaand verkeer de ravijnkant van de weg moesten aanhouden.

Jeroen in de verte Bijna bevend van angst draaiden we met de groep de weg op. Het ravijn enkele decimeter links van waar we reden ging honderden meters loodrecht naar beneden. Het was makkelijk voor te stellen wat een kleine stuurfout of een uitstekende steen voor gevolgen kon hebben.

Na ruim een uur met een behoorlijk vaartje gedownhilled te hebben stopten we bij de gedenksteen van een IsraŰlisch meisje dat ruim een maand geleden bij op dezelfde weg met fiets en al de diepte in was gegaan.

De weg is erg smal Verder naar beneden ging het. We kregen er steeds meer vertrouwen in. We waren in staat om de ijzingwekkende afgrond niet te zien, en ons te concentreren op de te rijden koers. Het lukte ons bovendien om andere voertuigen in te halen. Opvallend was dat met name de bussen als gekken rijden over de weg.

Op weg naar ons hostel We reden langs een mannetje dat een groot deel van zijn familie verloren was door een busongeluk op de weg en de rest van zijn leven gewijd had aan het seinen naar tegemoetkomend verkeer of de weg vrij was.Om een uur of drie bereikten we Yolosa, ons eindpunt, waar we de remmen eindelijk de gelegenheid gaven om af te koelen. In het busje gingen we de laatste zeven kilometer weer omhoog naar Coroico. Die avond aten we in ons (luxieuze) hostel aan een all-you-can-eat buffet. Bob Marley op de achtergrond, en de ober kwam langs en riep een woord: Marihuana. We dachten dat hij een grapje maakte, maar hij bleek het serieus te bedoelen, als we wat wilden kon hij het regelen. Toen hij ook nog meisjes van plezier aan ging bieden, werd het ons te gortig en gingen we slapen na de vermoeiende fietstocht.

Rurrenebaque Twee dagen later namen we de bus naar Rurrenabaque. De bus vertrok pas om 17.00 uur. Gedurende het eerste uur van de busrit vroegen we ons af wat nu precies het verschil was tussen de ┤gevaarlijkste weg┤ die we voor de veiligheid per fiets hadden afgelegd, en dit stuk weg. Kijkend uit het raampje konden we vaak alleen maar afgrond zien, en we begrepen ook niet waarom de chaufeur er met zo┤n noodgang over moest rijden. Om half zeven was het te donker zodat we niet meer geconfronteerd werden met de weg. Slapen was echter niet mogelijk gedurende de volle 18 uur die de busreis duurde (voor nog geen 200 kilometer!), de weg was zo hobbelig dat je vaak los van je stoel gebutst werd.

Ergens midden in de nacht stopte de bus. Eerst leek het een plaspause, toen een lekke band, en tenslotte bleken de veerbladen van het rechtervoorwiel het opgegeven te hebben, iets wat ons niets verbaasde. We waren toen getuigen van een bijzonder staaltje, uhm, laten we het vakmanschap noemen. De krik werd erbij gehaald, en met behulp van een stapeltje stenen en deze krik werd de voorkant van de bus een stuk opgetild, omdat dat nog niet genoeg was werd er een balk aan een kant ingegraven, aan de andere kant werd de balk onder de bus geschoven. De bus reed een paar decimeter naar voren en stond weer een stuk hoger.

Van de bladvering was alleen het bovenste blad nog op zijn plaats. De andere bladen werden met een ijzere stang weer op hun plaats gebeukt door de chauffeur die onder de bus was gaan liggen. Vervolgens viel de bus van de krik af, potentieel wat gebroken ruggen en ander letsel veroorzakend, maar niemand knipperde met zijn ogen. Opnieuw werd de bus opgekrikt, en werd er verder tegen de springveren gemept. Uiteindelijk zaten ze weer op hun plaats en werd er een stuk rubber gebruikt om het geheel te borgen. We konden weer verder rijden.

De tas van Martine na de busreis We arriveerden gebroken in Rurrenabaque, een plaatsje waar het verschil tussen winkels een woonhuizen afwezig is en de straten van zand zijn. De bevestiging van de springveren had het gehouden In Rurrenabaque zouden we onze Pampa-trip boeken. Bij het touragency werd ons verzekerd dat de gids vloeiend spanglish zou spreken dus dat zat goed.

Een capibara die net wegloopt De volgende ochtend, weer een beetje uitgerust, vetrokken we in stralend weer met de 4WD in een drie uur durende reis naar de rivier, waar we in twee uur naar ons kampement gebracht werden. Na vijf minuten in de boot gezeten te hebben zagen we onze eerste krokodil (of kaaiman of aligator). Het beest wist niet wat hem overkwam en nam duidelijk de tijd om te poseren voor onze fototoestellen. Een eindje verder kwamen we onze eerste capibara tegen, een soort kruising tussen een rat en een cavia, ter grootte van een varken.

Een krokodil De tweede dag zouden we op jacht gaan naar een anaconda. In een oude broek en oude schoenen liepen we over de pampa, een soort slecht onderhouden weiland dat grotendeels onder water staat. En was strak bewolkt en de gids vertelde ons dat daardoor de kans op het vinden van de slang niet groot was. Toen we na een uur door de modder gebaggerd te hebben ons verste punt bereikt hadden barstte er een enorme tropische regenbui los. Toen iedereen doorweekt was, besloten we maar om terug te lopen, nog een uur door de modder en de stromende regen. De rest van de middag bleven we vanwege de regen binnen en leerden we nieuwe kaartspelen en kaarttruken. In de namiddag, toen het weer een beetje droog was voeren we rond en zagen veel zoetwater dolfijnen en natuurlijk weer krokodillen (of kaaimannen of aligators). Bij het vissen naar de piranhas vingen we vooral giftige vissen. De gids ving een aantal catfishen die we ┤s avond opgegeten hebben.

De anaconda De derde en laatste dag bestond vooral uit de terugreis. Door het noodweer was de zandweg een modderpad geworden dat niet zou misstaan in de Camel Trophy. Bijna bij het eind stapte de chauffeur op de rem en riep in goed Spaans: Anaconda! En inderdaad, de slang was bezig de weg over te steken. Helaas koos ons fototoestel er net op dat moment voor om een raar bijgeluid te maken, zodat we niet zeker weten of we deze gebeurtenis kunnen bewijzen.

Teruggekomen van de tour aten we in een restaurant waar een tachtigjarige versie van Steven Seagal verantwoordelijk voor de bediening was. De dag daarop (zaterdag) vertrok ons vliegtuig uiteindelijk laat in de middag terug naar La Paz, de busreis terug durfden we niet aan.

Het hoge Uyuni Vanuit La Paz vertrokken we om 15.00 met een bus richting Uyuni, een plaats in het zuiden van Bolivia. Om 19.00 was de overstap in Ururo. We wisten al dat het koud ging worden in de bus, die een groot deel van de Altiplano doorkruist, en waren gewapend met een extra laag kleren en een slaapzak. Uiteindelijk bleek dit net voldoende. Om 4 uur 's nachts kwamen we aan in Uyuni, in de gruwelijke kou, zonder veel geslapen te hebben. In de bus zat een mevrouwtje dat ons had herkend als gringo's. Ze bood ons een goedkoop hostel aan dat naast het busstation bleek te zitten. Zo konden we nog een uurtje of vier slapen. Om 9 uur die ochtend werden we voorgelicht over de tourmogelijkheden in Uyuni. En zo vertrokken we anderhalf uur later in een jeep richting de zoutvlaktes...

De zoutvlakte Uyuni ligt zelfs lager dan La Paz op de Alti Plano, maar omdat er weinig bergen zijn waait het er veel, hetgeen het er enorm koud maakt. In de zon valt het nog mee, maar zodra die weg is wordt het afzien. Grappig is bovendien dat door de grote hoogte je adem veel minder condenseert.

De zoutvlakte bij Uyuni is ooit ontstaan door een prehistorish meer. Momenteel heeft de vlakte een oppervlakte van 120.000 vierkante kilometer, en wordt gebruikt voor de winning van zout van de zoutlaag die op zijn dikst ruim zeven meter is.

Zoutwinning bij Uyuni Na ongeveer een uur rijden in onze 4WD waar we met z'n zessen en onze gids/chauffeur/kok inzaten kwamen we aan bij de zoutvlakte. Stralend wit, grotendeels bedekt met water reikte de vlakte tot voorbij de horizon. Na het Kodakmoment aan de rand van waar het water begon, reden we tot onze grote verbazing het water in. Naar bleek staat er op de hele vlakte niet meer dan tien centimeter water, wat wil zeggen dat de vlakte ook inderdaad erg vlak is.

Uren reden we door het waterlaagje. Doordat de vlakte zo groot is zie je vaak de horizon niet, de lucht weerspiegeld in het water. Je krijgt het gevoel dat je door een onwerkelijk landschap heen vliegt. Rond de lunch kwamen we aan bij het viseiland, een eiland in de vlakte in de vorm van een vis dichtbegroeid met cacktussen. Daarna reden we door over de vlakte, door het mindbogling uitzicht.

Het zouthotel De laatste kilometer voordat we uiteindelijk de vlakte verlieten zagen we een andere jeep vastzitten in het (inmiddels toch iets diepere) water. Carlos, onze chauffeur/gids/kok, liet zien dat hij een echte held was en hielp de jeep loskomen.

In het donker kwamen we aan bij onze eerste slaapplaats, een dorpje in het midden van een steenvlakte, bestaande uit een paar lemen huisjes. Na een paar uur op ons avondeten gewacht te hebben (spaghetti met ui) gingen we slapen.

Uitzicht vanaf het viseiland De volgende ochtend reden we weer verder, door een onwerkelijk onherbergzaam landschap in de meest bijzondere kleuren. Op vijf kilometer hoogte is het bitterkoud buiten de jeep. Door de droogte ligt er maar weinig sneeuw. We komen langs diverse meertjes in de meest onlogische kleuren. Aan de rand van een van de meertjes is een wittige aanslag, het lijkt ijs. Het blijkt Colpa te zijn, een stof die door de lokale bevolking gebruikt word als een zeepvervanger. Ook zien we veel roze flamingo's, een onwerkelijk gezicht in dit onherbergzaam landschap. Weer wat later komen we een groot stuk steen tegen dat er met enige verbeelding uitziet als een boom.

Tegen het einde van de dag arriveerden we bij onze slaapplaats, een verzameling lemen huisjes aan de rand van Lago Colorado, een rood meer. Na het avondeten gingen we naar bed in de wetenschap dat we morgen voor zonsopgang moesten vertrekken. We waren al gewaarschuwd dat het 's nachts er koud kan worden (-18 graden), dus slapend in al onze kleren, onze slaapzak en extra dekens waren we goed voorbereid en viel het wel mee.

Onwerkelijke landschappen De volgende ochtend reden we zonder ontbijt en voor zonsopgang weg. Aangekomen bij een erg hoog en onherbergzaam stuk waren we getuige van een mooie zonsopgang. Even later arriveerden we bij een aantal geisers, gaten in de grond met kokende blubber, en spuitende stoomgaten, een indrukwekkend gezicht.

Weer later kwamen we aan bij een meer met aan de rand een klein thermaal bad waar we in konden pootje baden totdat de chauffeur/gids/kok een ontbijt had gemaakt. Weer later kwamen we bij weer andere lagunes aan. Aan de andere kant van deze lagunes namen we afscheid van de groep. Wij zouden doorreizen naar Chili omdat er oorspronkelijk per 1 juni een gigantische stakingsgolf uit zou breken in Bolivia en we daar niet bij wilden zijn (inmiddels weten we dat dit niet meer doorgaat).

San Pedro de Atacama Een een bus reden we van de overstapplaats aan de rand van een meer door een bruine hoogvlaktewoestijn. We hadden inmiddels begrepen dat Bolivia twee dagen eerder de grenspost had opgedoekt, zodat we geen exitstempel in ons paspoort kregen. We kwamen aan bij een klein huisje dat later de officiele grens bleek te zijn. Tien minuten nadat we zonder controle weer waren doorgereden door de woestijn riep de chauffeur in goed Spaans "Civilization" en we draaiden een mooi geasfalteerde snelweg op, ons eerste confrontatie met de verschillen tussen Chili en wat we tot nogtoe hadden gezien van Zuid-Amerika.

Na een stukje snelweg stopte de chauffeur en wees ons in de verte (2 kilometer naar beneden en veertig kilometer verder) onze bestemming aan, San Pedro de Atacama, een dorpje aan de rand van de Atacama woestijn (de droogste woestijn ter wereld).

Een uur later kwamen we aan in San Pedro. Omdat ze in Chili als de dood zijn voor zaken als gekke koeien ziekte e.d. is het verboden om bepaalde soorten levensmiddelen te importeren. Het gevolg is dat we bij het binnenrijden van San Pedro onze rugzakken ongeveer leeg moesten gooien voor een controle op dit soort zaken. Ook pinda's mogen niet naar binnen dus moesten we ze ter plekke opeten, de beambten hielpen ons wel even.

San Pedro heeft overdag een aangenaam klimaat, wolkenloze lucht en een temperatuur van zo'n 25 graden. In de nacht daalt het kwik weer tot 5 graden. Alle huizen zijn van leem en hebben alleen maar een verdieping op de begane grond. Tot onze grote schrik bleek Chili een stuk duurder te zijn dan de andere landen waar we geweest waren, en bleek San Pedro ongeveer het duurste dorp in Chili te zijn. Hierom vertrokken we de volgende dag voor een dagtrip naar Calama om weer eens achter de computer plaats te nemen en naar huis te bellen.

In San Pedro is eigenlijk niet zoveel te beleven. We deden een middagtour naar zoutmijnen in de buurt en vreemde rotsformaties en zagen de zon ondergaan in een gigantische kraterachtige rotsformatie. Ook moet vermeld worden dat het brood dat we aten in San Pedro wat ons betreft tot het lekerste brood ter wereld gerekend mag worden (en dat waren de fransen met ons eens).

Het treinkerkhof bij Uyuni Na een dag of vier in San Pedro de kou van de Altiplano vergeten te hebben besloten we dat het tijd was om terug naar Bolivia te gaan. In een busje reden we dezelfde weg terug omhoog naar de grensovergang. Daarna stapten we over in een jeep die ons in anderhalve dag bij Uyuni afzette. Vlak voor we Uyuni bereikten, maakten we nog een korte stop bij het treinkerkhof. Een plaats in de steppe waar wagons en locomotieven uit 1903 tot 1950 weg staan te roesten, een onwerkelijk desolaat gezicht.

Die nacht om 02.30 uur zou onze trein richting Tupiza vertrekken. We gingen vroeg naar bed en stonden om 02.00 uur klaar met onze rugzakken voor het station in de ijzige kou. Daar kregen we te horen dat er een railsverspering ver voor Uyuni was en dat de trein een onbekende vertraging had, en dat om 06.00 uur meer informatie zou volgen. Gelukkig liet het hostelmevrouwtje ons weer binnen om een paar uur extra slaap mee te pikken. Om 06.00 uur stond Jeroen (nu zonder rugzak) weer klaar bij het station, om daar te horen te krijgen dat er nu om 08.00 uur informatie gegeven zou worden. Na een korte slaappauze stond onze held weer voor het station om te horen dat om 10.00 uur informatie gegeven zou worden. Jeroen besloot (vergezeld van Martine) maar te wachten voor het station in het ochtendzonnetje dat het buiten warmer maakte dan binnen.

Vreemde rotsformaties Uiteindeljk vertrok te trein om 12.30 die middag. Het voordeel was dat we alles konden zien van de reis. In een gangetje van zo'n 40 kilomter per uur werd de weg naar Tupiza afgelegd, van het steppe-landschap naar een landschap dat nog het beste met het wilde westen vergeleken kan worden. Bovendien werden er twee films vertoond in de trein (in Zuid-Amerika heeft men een voorliefde voor vechtfilms). In de omgeving van Tupiza vonden de heren Butch Cassidy en de Sundance kid hun vroegtijdig einde ongeveer honderd jaar geleden.

Mooie kleuren Tupiza ligt maar 700 meter lager dan Uyuni maar door de ligging in een vallei heeft het een heel aangenaam klimaat. We hebben vanuit Tupiza, na een rustdag, een mooie wandeling gemaakt door een schitterend landschap van rode, bruine en incidenteel groene rotsformaties, hier een daar begroeid met struiken en veel cactussen. We zagen de vallei van Los Machos met rechtovereind staande rotsen die weinig aan de verbeelding overlieten. Een dag later werden we meet een jeep 18 kilometer buiten Tupiza afgezet om via een andersoortig landschap terug te lopen, schitterende vergezichten deze keer. Die avond zagen we in het hostel de film "Butch Cassidy and the Sundance Kid" uit 1969, als een geromantiseerde weergave van het waargebeurde verhaal.

Mooi uitzicht op de route Butch Cassidy en de Sundance kid Na al dat lopen verhinderden onze benen dat we nog een dag liepen en werd dus een rustdag ingelast, ook zodat Jeroen die avond een aantal mensen kon laten genieten van zijn inmiddels bijna legendarische Macaroni con Vino. De dag daarop vertrokken we met een bus naar onze laatste stop op de Altiplano, het mijnstadje PotosÝ.

De reis naar PotosÝ liet ons wederom verbaasd zijn over de variatie in landschappen die Bolivia kent. Van het wildwest landschap van Tupiza verandert het gedurende de acht uur durende reis naar een enigszinds troosteloos heuvellandschap. Bij aankomst in PotosÝ is het al duidelijk dat het hier om een mijnstad gaat. Een grote heuvel/berg, Cerro Rico genaamd, aan de rand van de stad is de bron van alle rijkdom, hier worden het zilver en andere mineralen gewonnen. Verder zit alles in de buurt van de mijnen onder een dikke laag stof. PotosÝ is de hoogste grote stad ter wereld op 4100.

De berg waar de mijnen in zitten Tot onze verbazing blijkt het helemaal niet zo koud te zijn in PotosÝ. We waren al gewaarschuwd voor de koudte, maar zeker overdag is het T-shirt weer. Ook blijkt PotosÝ best een leuke stad te zijn. Dus de eerste dag hebben we besteed aan rondlopen en het bijzondere "Casa de la Moneda" museum bezoeken (in dit gebouw werd tot 1948 al het geld van Bolivia gemaakt). De volgende ochtend zou onze tour in de mijnen plaatsvinden.

Een beetje zenuwachtig kregen we de volgende ochtend om 9.00 uur laarzen, een helm en een mooie gele overjas. Met een busje werden we naar de ingang van de mijn gereden. Vervolgens konden we bij een kraampje wat explosieven en drugs kopen (coca bladeren en dynamietstaven). Om stoer te doen stak onze gids het lont in de staaf (na uitgebreid de materie gekneed te hebben, hetgeen door Jeroen minitieus op de gevoelige plaat werd vastgelegd om voor de komende oud en nieuw viering wat extra ter zake doende kennis te hebben) en stak deze aan. Rustig liep de man een eind weg om de staaf een stukje in de berg te graven. Even later explodeerde de staaf met een knal die menig nederlandse vandaal jaloers zou maken.

Een mijnwerker aan het werk Na onze carbidlampjes gekregen te hebben gingen we via een kleine doorgang de mijn in. Al meteen werden de gangetjes en trappetjes erg nauw en dus eng. We zagen gestutte delen in het plafond die niet erg veel vertrouwen wekten in het stevigheids aspect. Zo af en toe trilde de berg een beetje en hoorden we een doffe bons, ergens werd dan iets opgeblazen.

Zo nu en dan kwamen we een mijnwerker tegen die met gereedschap waar de hele mijnbouw evolutie aan is voorbijgegaan bezig was steen weg te bikken op zoek naar een spoor zilver, zink of tin. Regelmatig kwamen er ook mensen langs die met een kruiwagen vol met gruis ergens naartoe op weg waren.

De levensverwachting van een mijnwerker ligt rond de veertig jaar. Dit wordt voornamelijk veroorzaakt door de giftige gassen die in de mijnen hangen. In de laatste driehonderd jaar zijn er ongeveer 8 miljoen doden gevallen! In de tijd van de spaanse overheersing realiseerden de spanjaarden de waarde van de mijn en probeerden de ontginning met zuid-afrikaanse slaven te realiseren. Deze overleefden echter geen van allen de hoogte en de barre omstandigheden, waardoor men genoodzaakt was om de lokale bevolking te werk te stellen in de mijnen. Dit hield in dat een mijnwerken minimaal vier maanden aan een stuk onder de grond doorbracht. Als men in de ogen van de spaanse overheersers iets fout had gedaan kon deze periode oplopen tot wel twee jaar. Tegenwoordig worden de mijnen in diverse cooperaties gerund.

Vanaf je jonge jeugd kan je werken in de mijnen, we kwamen kinderen van onder de tien tegen. Kinderarbeid is ook in Bolivia verboden, maar de praktijk is anders. Steeds nadat een mijnwerker ons had voorgelicht kreeg hij van de groep een presentje (dynamiet, coca bladeren, of een blikje vis in tomatensaus).

Potosi gezien vanaf de berg In iedere mijn in PotosÝ is een beeld van 'El Tio' te vinden, de oom. Dit is eigenlijk een beleefde naam voor de duivel, degene die in de ogen van de mijnwerkers het beheer over de mijn heeft. Iedere vrijdagmiddag worden er sigaretten geofferd, en een toost uitgebracht (met een drankje van 96% alcohol).

Na ruim drie uur door de gangen gedoold te hebben kwamen we een man tegen in een doodlopende gang die serieus bezig was de rotswand te vullen met dynamietstaven. De gids vroeg of we wat "mijnmuziek" wilden horen. Iedereen zag het al aankomen en riep hard nee. Helaas, het plan werd doorgezet. We trokken ons een aantal gangetjes terug en gingen gehurkt zitten wachten op onze ondergang. Twee doffe klappen later merkten we dat we nog leefden ondanks de trillende berg. Snel werd vervolgens de weg naar de uitgang gevonden.

De volgende dag vertrokken we met de bus naar Sucre, ondertussen genietend van Alejandro Sanz, de Marco Borsato van Zuid-Amerika (we zijn al in het bezit van zijn laatste CD). Deze stad ligt aan de oostelijke rand van de Altiplano, een stuk lager (op 2700 meter) dan Potosi. Het gevolg is ook dat het klimaat aangenaam is en de dagelijkse temperatuurverschillen niet zo groot. Bij aankomst blijkt Sucre een moderne stad te zijn, helaas is er voor de toerist niet zoveel te beleven.

Even een woord over de koffie die we (of eigenlijk alleen Jeroen) tot dusverre gedronken hebben. De landen die we tot nog toe bezocht hebben grensen allemaal aan Colombia en/of BraziliŰ en dit zijn toch wel de landen waarvan je zou denken dat de beste koffie ter wereld vandaan komt. Raar genoeg is de koffie die je kunt krijgen oploskoffie. Mensen drinken koffie om twee redenen: voor de smaak, en voor de cafe´ne. De smaak van oplosskoffie staat in geen verhouding tot die van echte koffie. Bovendien is de hoeveelheid cafe´ne vaak erg klein. In grote steden lukt het nog wel eens om koffie te krijgen die uit een echte espresso-machine komt en dus lekker smaakt, maar nog steeds straalt de cafe´ne door zijn afwezigheid. Voor Jeroen dus een mooie gelegenheid om volledig cold turkey te gaan met zijn koffieverslaving.

Een kleurig marktstandje Die zondag daarop was het plan om vroeg te vertrekken richting het dorpje Tarabuco, waar een mooie markt zou zijn. Op weg naar de bushalte kwamen we een mannetje tegen dat voor een schappelijk bedrag een retourtje markt aanbood, we hadden zelfs nog even tijd voor koffie. Toen we terug van de koffie kwamen was het busje natuurlijk al verdwenen (dit is tenslotte Bolivia), en moesten we op zoek naar een alternatief. We kwamen een bus van Djoser tegen (nederlandse reisorganisatie), en we dachten: Nederlanders! Er waren nog twintig plaatsen vrij, dus meerijden moest geen probleem zijn. Helaas dacht de reisleidster er anders over onder het mompelen van woorden als verzekering enzo. Met een locaal busje arriveerden we tenslotte twee uur later op de markt, die bekend staat om zijn mooi en duur handgemaakt textiel.

Ondanks de woorden van de reisgidsen vonden wij het een klein en oninteressant marktje en gingen ook al snel op zoek naar vervoer terug. En zo liepen we een bus van Baobab tegen het lijf (andere nederlandse reisorganisatie). Kennelijk zijn de nederlandse reisorganisaties niet zo happig op backbackers (in tegenstelling tot de mensen die met de organisatie meereizen), want deze reisleidster vroeg meer geld dan een lokale bus gekost zou hebben. Het gevolg was dus dat we weer met een lokale bus terug naar Sucre gingen.

Een local die niet graag op de foto wilde Onze markt-dag kenmerkde zich verder ook nog door laaghangende bewolking en bijgevolg was het dus behoorlijk koud. De dag daarna was hier geen verandering in gekomen en verlangden we er naar om eindelijk de Altiplano helemaal te verlaten. Om 16.00 uur vertrokken we dan ook met een nachtbus naar Santa Cruz.

Ondanks het bereiken van de laaglanden van Bolivia was het een bijzonder koude reis, iets waar we niet helemaal op voorbereid waren. Bovendien vond de buschauffeur het om 5.30 in de ochtend genoeg met al dat geslaap en konden we genieten van een zanger die vol overtuiging,  op een volume dat denken onmogelijk maakte, het spaanstallig levenslied vertolkte.

Om 8 uur stonden we vervolgens een beetje doof in Santa Cruz waar het met de temperatuur al niet beter gesteld was. Eindelijk begrepen we dat de winter in Bolivia nu in alle hevigheid heeft toegeslagen, en dat terwijl we geen echte jassen bij ons hebben en het in gebouwen even koud is als er buiten.

Santa Cruz is een stadje met veel koloniale gebouwen, maar daarnaast ook veel winkels die je in een Europeese stad ook tegen kan komen. In de bomen op het centrale plein leeft een kolonie luiaarden. Het is fascinerend om te zien hoe deze dieren tergend langzaam van boomtop naar boomtop proberen te klimmen.

Toen Jeroen een paar dagen later weer grotendeels opgeknapt was van de busreis stapten we (na vier uur in de niet zo lange rij te hebben gestaan voor kaartjes) op de trein die ons in een reis van rond de twintig uur naar het laatste land van onze trip zou brengen, BraziliŰ.


Door naar Brazilie

Copyright © 2009 Jeroen van Zutphen